Gedicht

De achterkant van een groots gedicht 

Aan de achterkant vind je een klankkast met alle 

dentalen en labialen die de gemaskerde maker   

dagenlang aan elkaar heeft gelast 

en dan weer losgesneden of geretoucheerd. 

De achterkant verbergt de pijnlijke geheimen 

met schrappingen en wijzigingen die niemand 

nog kan zien of horen en het kleine kluwen 

van de bedrading met chips en flexibele draden. 

Aan de achterkant vind je een zwart wormgat

binnen in de witruimte van de papieren piramide     

van al wat duister blijft en alle aandacht aanzuigt

voor de halfblinde of verblinde lezer.

Hendrik Carette 

Mijn eerste helden

  Mijn eerste helden 

                                   Doden en dichten gaan goed samen. Dat vonden althans                                               de Grieken, die bij de opvoeding van hun zonen aandacht                                        besteedden aan zowel militaire als muzische                                                                      vaardigheden.   

                                                           Piet GerbrandyRoemdaden der mannen                                                    

            Mijn eerste helden waren zeker niet Jansen en Jansens, Lambik, Kuifje, tante Sidonie of tante Sidonia, Asterix en Obelix of de stoere Rode Ridder. Mijn eerste helden waren historische figuren zoals de monnik Willem van Saeftinghe van de abdij Ter Doest in Lissewege (het Brugse Vrije), de Duinkerkse kaper (een kaper heeft een kaperbrief en is geen zeerover!) Jan Bart (Jean Bart voor Lodewijk XIV) en Robrecht de Fries (de grootste graaf van Vlaanderen) die ik allen leerde kennen dankzij de jeugdboeken in de reeks Dietse Gestalten van uitgeverij Lannoo toen deze uitgever in Tielt, in de brousse van West-Vlaanderen, nog goede literaire boeken uitgaf. Ook de Vlaamse opstandelingenleider en vrije boer uit Lampernisse Niklaas Zannekin (ik ben trouwens al jaren een overtuigd lid van de vereniging Zannekin die al vele jaren elk jaar een jaarboek uitgeeft !),  kapitein Nemo met zijn onderzeeboot de Nautilus (uit het boek Twintigduizend mijlen onder zee dat later verfilmd werd met o.m. de acteur Kirk Douglas), de watergeuzen, de bosgeuzen en de exploten en avonturen van de West-Vlaamse bandiet Lodewijk Baekelandt die lange tijd kon schuilen in het toen nog haast ondoordringbare Vrijbos van Houthulst, tot hij op 2 november 1803 werd onthoofd op de Markt van Brugge, maakten op mij een onuitwisbare indruk. En dankzij een ouder buurmeisje in Assebroek dat studeerde voor onderwijzeres leerde ik al vroeg lezen en als mooie jonge jongensprins las ik niet graag stripverhalen of boeken met teveel prentjes en plaatjes maar wel boeken van Jules Verne (met die mooie harde blauwe kaften met gouden opdruk) en Karl May, Jean Ray (John Flanders) en de nu bijna geheel vergeten jeugdschrijver F.R. Boschvogel (Frans Ramon) van wie vooral deze laatste verantwoordelijk was voor mijn eerste heldenverering en voor mijn identificatie met die kleurrijke en krachtige eerste helden. Later volgden uiteraard nog andere helden zoals kapitein Ahab (niet de Achab uit de Bijbel) van de Amerikaanse auteur Herman Melville, de zwerver Tamalone in het boek Een zwerver verliefd van Arthur van Schendel, Jan Boele uit de novelle ‘In ’t water’ van Stijn Streuvels (over wie ik in het achtste jaarboek van het Stijn Streuvelsgenootschap vele jaren later een essay mocht schrijven), en ook de soldaat Johan uit het gelijknamige boek van Filip de Pillecyn.  Onlangs vond ik dit romantische boek (Amsterdam : P.N. Van Kampen & Zoon) uit 1939 terug in een antiquariaat in het boekendorp Damme en herlas het helemaal in een vlaag van bewondering en verwondering. Het boek begint met een paginalange cursieve tekst die als het ware de thematiek en de tijdslijn van deze fictieve historische roman samenvat en situeert : “Na zijn jeugd in het leger van den Hertog van Bourgondië te hebben doorgebracht, keert de soldaat Johan terug naar den grond. De soldaat zal nooit in hem kunnen sterven, maar evenmin ontkomt hij aan de dwingende macht van de aarde.” Een mooi begin en dan begint Filip de Pillecyn een bladzij verder met   de eerste zin van het eerste van de dertien hoofdstukken : “Weinige oogenblikken vooraleer de hertog Karel de Stoute neergeslagen werd op het veld bij Nancy, viel de soldaat Johan. Hij had de benden, die met hem waren opgerukt, links van hem zien wegvluchten; de paarden steigerend doorheen het voetvolk in den wasem van hun zweet.” Geef toe dat dit klinkt als een mooi en sterk begin voor een gespannen lezende en dromende adolescent. Sindsdien kan ik geen kwaad woord horen over deze Vlaamse schrijver die ook nog andere nog steeds zeer leesbare boeken heeft geschreven.  En verleden zomer ontmoette ik de dichter Roland Jooris in de brousse van West-Vlaanderen (in een lege en ontwijde kerk in Vinkem) en tot mijn instemmende tevredenheid begon hij zelf over Filip de Pillecyn en stelde in een gesprek buiten aan de poort buiten deze kerk onomwonden dat deze schrijver één van de grootste en fijnste stilisten van Vlaanderen was en is… En hij citeerde en reciteerde. Zomaar par coeur… Ik moet en wil nog veel lezen en herlezen en dan vooral de boeken over mijn eerste helden tijdens mijn eerste jongensjaren in het oude, koude en katholieke, Brugge waar de bisschop meer macht en invloed had dan de gouverneur. En waar alles voor mij begon bij het zien van het avondlijke of nachtelijke massaspektakel Heilig Bloedspel te Brugge in 1962 in de regie van Anton van de Velde die ook de auteur was van het vierde boekje of brochure in de reeds vermelde reeks Dietse Gestalten over Willem van Saeftinge. Terwijl Boschvogel het eerste boekje schreef over Robrecht de Fries. En zowel Friesland als de Bourgondische hertogen, zowel de geschiedenis als de geografie blijven mij sindsdien fascineren bij het lezen van biografieën, historische romans en eminente essays over de oude klassieke Ouden. 

                                                                                                         Hendrik Carette 

Gedicht bij een schilderij van Serge Largot

We are a little bit crazy*

Het orkaan duurt zolang wij bestaan. 

Het vuur laait in liefdeslichterlaaie. 

De oranje vlammen flakkeren naar dieprood

en de groene tongen branden blauwgrauw

in wemelende woelingen.

Hier is de natuur niet aan de macht 

maar de geest die de materie beheerst.

De opstandige geest die het zuiverende vuur

van de hartstocht in felle tintelende verflagen 

laat nederdalen

zoals het naakte woord voor sprooksprekers

en pinksterpolyglotten neerdaalt als een ravage 

enLargot le peintre vagabond

van een landschap een schilderij maakt 

met het warme coloriet van magma en lava.   

Hendrik Carette 

* Titel van een schilderij van Serge Largot, 

oil on canvas 50 x 70 cm, Bonaire, juli 2009  

Italië-gedicht

Afgeslankt gedicht (deductum carmen) 

Ik sta op een verlaten perron van een leeg station.

De nacht duurt nog minstens één uur.

Het weer is guur. 

Morgen reis ik met de trein naar Turijn 

niet om daar de lijkwade te zien 

noch om daar een versleten paard te omhelzen 

maar om weer in het theatrale Italië te zijn. 

Het land van de pauselijke pauwen, prelaten 

en poëten zoals Pound, Pasolini en Petrarca. 

Hendrik Carette 

Ode aan mijn geboortestad

Brugse kanttekeningen

 

Brugse politiek

Achiel van Acker, de meest beminnelijke burgemeester die de stad Brugge helaas  nooit heeft gehad.

Brugse letteren

Mijn oudste broer Antoon ontmoette ooit de Franstalige auteur Daniel Gillès. Zijn echte naam was Daniel Gilles de Pélichy. Het boek van deze schrijvende baron Les brouillards de Bruges (Parijs, 1962) is een sleutelboek.

 De Franstalige bourgeoisie

Jean Schramme: een avontuurlijke Bruggeling die eerst in onze Congo belandde en  daar een soort van krijgsheer of huurlingenleider werd en dan later een planter met een plantage in Brazilië werd.

De Spaanse verleiding

De Spaanse verleiding voor beroemde en minder beroemde  Bruggelingen die de koude vochtige zwanenstad zijn ontvlucht. Twee voorbeelden: de muzikant Louis Fiers stierf in 2014 in Malaga en de toneelregisseur Maurits Balfoort stierf in 1989 in Benidorm.

 Geleerde gelieerd aan prins Maurits van Oranje

De Bruggeling Simon Stevin was een wiskundige, een taalvernieuwer en een protestant en als vernufteling ook nog eens een uitvinder van de zeilwagen.

 Brugse klassenstrijd

De bekende succesauteur Pieter Aspe was aan het begin van zijn leven conciërge van de Heilig-bloedkapel en de politicus Fernand Traen eindigde zijn leven als proost van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed.

 Brugse humor

Toen mijn vader jong was en voor de oorlog in de Steenstraat flaneerde droeg hij geen hoed; ik doe het nu wel en zo is het goed.

 Vredig kerkhof

Postume tolerantie: op het vreedzame kerkhof in Steenbrugge ligt de eenvoudige steen van de communist en Stalinvriend Marc Braet naast het grote grafmonument van de ultramontaanse priester en anglofiel Guido Gezelle.

Oudste café

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was ik een regelmatig bezoeker van Café Vlissinghe en bezit zelfs nog het boek Een eeuwenoude Brugse herberg 1515-1985 van Eduard Trips (Brugge, 1986). Welke vaste klant van toen kan nog ooit mevrouw Elisabeth en haar twee dochters vergeten?

 Sterven te Brugge 

Niet alleen de dood van haar minnaar Joris van Severen in Abbeville was tragisch.  Ook de dood van Rachel Baes in de Hoogstraat van Brugge was een tragische dood. Het goed geschreven en goed gedocumenteerde boek Een tragische minnares (Leuven, 2002) van Patrick Spriet werd een waar cultboek.

Brugge in de wereldliteratuur

De grote dame en nomade Marguerite Yourcenar was gefascineerd door de stad Brugge. Het tweede deel van haar meesterwerk L’Oeuvre au Noir (het boek is beter dan de film!)begint dan ook met het hoofdstuk ‘Le retour à Bruges’. En de zeer hermetische dichter  Stéphane Mallarmé kwam op maandag 17 februari 1890 naar Brugge om voor de kring Excelsior een lezing te geven over de auteur Villiers de l’Isle-Adam. Ook Rainer Maria Rilke en vele andere grootheden bezochten Brugge. Zie voor nog meer teksten; het boek Brugge beschreven (Zaventem, 1984) van Bruggeling Fernand Bonneure.

Bruisend Brugge

In het prachtboek Wereld in woorden (Amsterdam, 2013) van Frits van Oostrom staat  er achteraan een unieke tekst met als titel ‘Bruisend Brugge’.

Drie gedichten

De zanger, dichter, liedjesschrijver, verteller en vertaler Willem Wilmink schreef een mooi ontroerend gedicht over hoe hij samen met zijn vader ooit een dag in Brugge was.

Het gedicht ‘Liggen’ uit de bundel Boerengedichten(Amsterdam, 1969) van H.H. ter Balkt gaat niet zozeer over Hertog Karel de Stoute, maar over het Bourgondische Brugge.

Het mysterieuze gedicht ‘Coutume du bourg de Bruges’ is van de hand van de dichter Renaat Ramon en is te lezen in de bundel Draagvlak en vizier (Gent, 2016).

Geleerde gelieerd aan de stilte

De Brugse musicus Herman Sabbe weet alles van de seriële muziek en van de stilte die zij creëert.

 De bisschoppen van Brugge

Ofwel zondigden zij door middel van de zonde van het vlees ofwel vergisten zij zich schromelijk en bemoeiden zij zich ook nog met de lokale politiek.

De Reien

De Reien of watergangen mogen dan al gesaneerd zijn, de bruine ratten zwemmen en rennen van het Minnewater naar de Groenerei en onder de huizen naar de riolen.

 Het chauvinisme

Het verschil tussen een Antwerpenaar en een Bruggeling? De eerste heeft een wel zeer hoge dunk van zichzelf en van zijn stad. De tweede ook, maar deze laatste heeft daar wel alle redenen voor.

 

Hendrik Carette,

een Bruggeling in de diaspora

BOEKENLIJSTJE VOOR DE FEESTDAGEN

De tien beste Nederlandstalige studieboeken van het voorbije rampjaar 2020

 

Te vinden of te bestellen in de betere boekhandels voor gevorderden

 De vreemde lus, ondertitel ‘Over bewustzijn en het verbond tussen wetenschap, kunst, filosofie en mystiek’, door André Klukhunn, Amsterdam: Koppernik, 269 pp.

Oefeningen in genot, ondertitel ‘Liefde en lust in de late middeleeuwen’, door Herman Pleij, Amsterdam: Prometheus, 434 pp.

Het Ridderspoor, over Willem Elsschot, door Johan Anthierens, met een woord vooraf van Stijn Tormans, tweede druk, Antwerpen: Polis, 277 pp.

Een danser in de sneeuw, essays, Gaston Durnez, Leuven : Uitgeverij Davidsfonds, 271 pp.

Nicolas Bourgeois en Frans-Vlaanderen, ondertitel ‘Confidenties in het Olmkasteel’,Wido Bourel, Roeselare: Uitgeverij ID, 183 pp.

Dichters leiden de dans, ondertitel ‘Liefde in de middeleeuwen’, Cas van Houtert, Utrecht: Uitgeverij IJzer, 444 pp.

 Vetera et nova, opstellen en notities, Patrick Lateur, met een inleiding van Anne Marie Musschoot, Leuven: uitgeverij P, 213 pp.

De kuren van Komrij, Gerrit Komrij, samengesteld en ingeleid door Onno Blom, Amsterdam: De Bezige Bij, 299 pp.

Het glanzend zwart van mosselen, ondertitel ‘Autobiografie, Essay, Reisverhaal, Cultuurkritiek, 1980-2020, Oek de Jong, met zeldzame zwart-wit foto’s, Amsterdam: Uitgeverij Augustus, 745 pp.

Blijf bij ons, Bach, ondertitel ‘Het verhaal van een innige relatie’, Sigiswald Kuijken, met een CD, Tielt: Lannnoo, 246 pp.

 

                                               Hendrik Carette

retorische vragen

Retorische vragen aan het dichtertje Frank de Crits  

 

Houdt u ook zo van Nescio? En wandelt u

als voetreiziger langs de ruisende dreven

en de lanen van het verlangen

waar het almaar waait en stortregent?

 

En blijft u een uitvreter of een aardige jongen?

 

Hendrik Carette

IN MEMORIAM

John Heuzel: als een rots in de branding

(Oostende, 23 sept. 1945 – Brugge, 7oktober 2020)

 

John weigerde ook maar één moment van zijn leven ook maar één woord met het accent of de tongval van het rijke kleurrijke West-Vlaamse dialect te spreken. Hij was een echte fanatieke taalpurist en ook een groot lezer en reiziger (volgens zijn weduwe begon hij na een korte onderbreking opnieuw de pijp te roken tijdens een recent bezoek aan China!). In een al ver verleden werd hij de opvolger van de dichter Mark Braet die samen met Georges van Acker het tijdschrift Kruispunt had opgericht. Met zijn Engelse humor en zijn Ierse koppigheid werd John de drijvende kracht (redacteur, recensent en referent) achter dit literair kwartaalschrift dat in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vele lezers en abonnees elke keer weer regelmatig bleef verbazen. Alleen al de lijst van bijzondere themanummers die John Heuzel als erudiete editorwist samen te stellen en te presenteren is bijzonder imposant en verrassend. Ik verwijs hier dan ook graag naar het James Joyce-nummer met vermaarde binnen- en buitenlandse medewerkers (december 1982), het Bretagne-nummer (‘Ik heb geen ander land’ samengesteld door Jan Deloof, maart 1998), het Louis-Paul Boonnummer (juni 1984), het Zuid-Afrikanummer ‘Een wankele wereld’ (samengesteld door Luc Renders, juni 1994) en het bijzondere in-memoriamnummer over Mark Braet (samengesteld door John Heuzel en Jan van der Hoeven, maart 2003). En ten slotte het zeer curieuze Stalin-nummer (samengesteld door Peter Bormans, van maart 2009, waarbij John tot grote woede en onbegrip van deze Peter Bormans mijn gedicht ‘Een bolsjewistische fanfare’ vooraan aan het begin van dit nummer plaatste). Hoe dan ook een goed literair tijdschrift is als een literair laboratorium en het is de grote verdienste van de zeer koppige en eigenzinnige West-Vlaming John Heuzel dat hij vanuit zijn Brugse boekenzolder in de Boeveriestraat als vanop een rots in de branding zijn Kruispunt als een lighthouseof vuurtoren liet schijnen.

Hendrik Carette

NOTITIES

Zeventien aantekeningen en ophelderingen

 

 

In het huis van de dichter is meestal maar één belangrijke kamer: de antichambre.

*

Mediteren met de ogen open doet mij goed; ik deed het op de trein van Brussel naar Brugge, maar dan wel in een rustige lege coupé van eerste klasse.

*

De hoofdstad van mijn verloren en verboden Dietsland (van Leeuwarden tot Luxemburg) is Dordrecht, omdat de Dortse Synode daar plaats had en omdat het Hollands Diep daar diep is.

*

Mijn eerste uitgever en vriend Johan Sonneville liet zich ooit op een nacht opsluiten in de bibliotheek (De Biekorf) van mijn geboortestad Brugge. Men vertelt er niet bij of hij dit deed om een nummer van het aloude tijdschrift Biekorf te kunnen lezen of een zeldzaam nummer van het tijdschrift Betoel.

*

Bij herlezing besef ik meer en meer dat het zwaar rijmende Een lamentatie van de melaatse koning(Leuven, 2005) van de dichter Hubert van Herreweghen een literair hoogtepunt is. Deze Brabantse dichter kende tenminste nog de Statenbijbel en durfde nog te rijmen zonder een rijmelaar te zijn.

*

De Waalse dichter William Cliff heeft vaak en soms zeer ver gereisd. Nu woont hij in het wat trieste provinciaalse Gembloux, want het is de plicht van de dichter om ons te troosten en dus om soms ook zelf diep ongelukkig te zijn. Hoe dan ook hij is en blijft de grootste levende Franstalige dichter in ons landje. Ik kocht hier in Brussel onlangs zijn nieuwe dichtbundel Le Temps suivi de Notre-Dame (Paris: La Table Ronde, 2020) met op de bladzijden 84 en 85 het gedicht ‘Eeklo’ dat de dichter Peter Theunynck zou moeten lezen. Want wie schrijft nu in ’s hemelsnaam een gedicht over het trieste Eeklo?

*

De Vlaming vluchtte vroeger voor de vloedbeweging van de zee. Nu vlucht de Vlaming voor het vloekwoord Identiteit.

*

Oostenrijk is het kernland van het oude Europa en geniën zoals Karl Kraus, Johan Strauss, Sigmund Freud, Rainer Maria Rilke, Ludwig Wittgenstein, Georg Trakl, Otto Weininger,  Gustav Klimt en Egon Schiele;  allen zonder uitzondering komen uit die broeierige wat decadente sfeer van het Weense cultuurwoud. Ik zou welhaast kunnen uitroepen: Was ik maar een Wener !

*

Kleine etude in S groot: Neem een sauna in het land van de Sami (Lapland) aan de rand van een melancholiek meer en luister dan naakt in gezelschap van een naakte vriendin naar die fijne trieste wals van de Finse componist en vrijmetselaar Jean Sibelius. Per Olov Enquist verwijst in zijn mooie liefdesroman Het boek der gelijkenissen (Amsterdam, 2014) naar de onvoltooide Achtste Symfonie van Sibelius.

*

Het aards paradijs bestaat. Ik weet waar het zich bevindt. Ik denk op het kleine eiland Capri waar ook Maxim Gorki en Marguerite Yourcenar hebben geresideerd.

*

Onze meest vergeten essayist en kunstcriticus is Arthur Hendrik Cornette (Antwerpen, 1880 – Brugge, 1945). Ziehier de prachtige woorden die de dichter Maurice Giliams in 1966 over hem schreef: “In elk opzicht un érudit, schrijft hij bijzonder pittig, fris en stijlvol. Van pedante bestorven wijsheid of geleerdheid  is in zijn geschriften geen spoor te merken. Il avance à coups de nouveauté. Hij noteert schijnbaar terloops doch altijd raak, met innige koelheid, met dichterlijke nuchterheid. Hiermee valt hij uit de toon van de Vlaamse-literaire traditie die, in het algemeen, op anekdotische breedvoerigheid gesteld schijnt en matig belangstelling opbrengt voor het intelligent gedacht en geschreven essay. Onder zijn generatiegenoten is hij een onrechtvaardig in de schaduw gehouden figuur ofschoon hij, beter genuanceerd dan enig ander Vlaams tijdgenoot, tot de Europese elite behoort.”

*

Als zwaar gecensureerde dichter leef ik al lang in een mij opgelegde en dus onvrijwillige quarantaine. Toch blijf ik immuun voor de ziekten en plagen van deze babbelzieke digitale samenleving.

*

Wie las mijn columns in het beruchte maandblad Meervoud en wie leest mijn gedichten her en der uitgestrooid in Het Liegend Konijn van cultuurpaus Jozef Deleu of in het Zeeuwse tijdschrift Ballustrada? Misschien vierentwintig of vierenveertig lezers en lezeressen in Menen, Middelburg, Maastricht, Muiden en Middelharnis.

*

De knappe Wide (wat is dat toch een rare voornaam!) Verknocke (hij is de kleinzoon van de dichter Ferdinand Verknocke die ooit een ode aan Adolf Hitler schreef) draagt bloemen op zijn zwart hemd (Zie de foto op de frontpagina van De Standaard der Letteren van vrijdag 28 februari 2020). Hij heeft zwart krulhaar en een fijne zwarte snor (geen Streuveliaanse knevel) en kijkt eerder ernstig en bijna uitdagend naar de lens van de fotograaf. Bij zijn grootvader was het wellicht de swastika die zijn hemd of zijn kostuum sierde want deze andere Verknocke was een overtuigd nationaalsocialist. Nog in 1943 publiceerde het tijdschrift Groot Nederland gedichten van zijn hand. Ook de verzande zeearm Het Zwin en de zee inspireerden deze West-Vlaamse bard. Geen bloemetjes of bloemen.

*

Een tijdje geleden stelde Geert Van Istendael mij voor aan een dochter van Hubert van Herreweghen en zei:Dit is de decadente dichter Hendrik Carette. De vraag is: bedoelde de goede en wijze Geert dat ik een decadent leven leid of dat ik decadente gedichten schrijf. Ik weet het niet en moet het ook niet weten. God of de grote Borges dicteren mij en ik noteer. Maar soms droom ik dat ik de geheime persoonlijke secretaris ben van beiden. Ik kan niet anders zijn dan ik ben.

*

Ik lees nu de biografie van Erasmus van Johan Huizinga (Rotterdam, Ad. Donker, 2017, twaalfde druk). Ook Leen Huet leest nu dit boek. Het is een machtig boek en al in de inleiding van J. Sperna Weiland (en dit is geen pseudoniem!) van mei 2001 val ik al op machtige openingszinnen. De eerste druk van dit boek verscheen in 1924. En ik zeg het maar dadelijk: wie nog nooit een boek of één zin van deze grote Huizinga heeft gelezen is een onwetende of een cultuurbarbaar.  Als voorbeeld citeer ik graag de laatste paragraaf van het zevende hoofdstuk: “Eer dan in de verzuchting aan Servatius kwam waarschijnlijk hier, in de stilte van het Alpenlandschap, iets van Erasmus’ diepste aspiratie boven. Doch ook nu is het een verborgen laag van zijn zieleleven, niet de krachtige impuls, die aan zijn leven inhoud en richting gaf, en hem met een onweerstaanbare drang dreef tot altijd nieuwe studiën.” Het wordt tijd dat we in onze Lage Landen ook zijn andere boeken zoals Geschonden wereld (1945) en Homo ludens(1938) lezen en herlezen.

*

Ik weet nog te weinig over die twee andere Brugse dichters; met name de dichters Anthonis de Roovere (1430 – 1482) en Eduard de Dene (1505 – 1578). Beiden werden in Brugge geboren en beiden stierven ook in Brugge. In het boek Oefeningen in genot (Amsterdam: Prometheus, 2020) van Herman Pleij met als ondertitel ‘Liefde en lust in de late middeleeuwen’ worden deze twee dichters geciteerd. Vooral in het dertiende en laatste hoofdstuk ‘Seksuele revolutie?’ komt de Brugse stadsdichter Anthonis de Roovere met zijn zotte refreinenten tonele. Maar te weinig.

 

 

                                                                                  Hendrik Carette

Denkend aan Simon Stevin

Eeuwig roersel

voor Renaat Ramon

 

Aan de grazige weiden van het koele waterland

hertaalde de wonderlijke man Simon Stevin

de oude Latijnse term perpetuum mobile

in zijn helder Nederduits als eeuwig roersel.

 

In het jaar 1602 reed zijn houten zeilwagen

op het harde zand van een strand

in het bevrijde noorden met aan het roer

van deze vreemde wagen stadhouder Maurits,

de kordate zoon van de prins Willem van Oranje.

 

En bij de inwijding van Stevins’ uitvinding

klapperden de hoge zeilen in de voorjaarswind

achter de polders op het ingedijkte polderland.

 

Hendrik Carette