Bedenking

                                                               O Corona

Al het leed der mensen spruit hieruit voort, dat zij niet rustig in hun kamer kunnen blijven. 

                                                                                                                                   Blaise Pascal

 

Corona is een leenwoord uit het Latijn en In mijn woordenboek der Latijnsche taal (het is een oud, zeer oud boek van J. Terpstra; in 1858 uitgegeven te Utrecht door C. Van der Post en het is of was ten gebruike der Latijnsche scholen in het Nederduitsch overgebragt) zocht ik naar de betekenis van het Latijnse woord corona. Want dankzij de goede Ouden en ook onze latinist en grote graecus Desiderius Erasmus weten we en beseffen we maar al te goed dat de betekenis en de wortels van vele zo niet al onze  woorden een oorsprong vinden in het Latijn en het Grieks. En ziehier wat dit oude woordenboek mij vertelt: 1)in ’t alg. Iets dat naareen krans gelijkt, een rond, eene aanronding; 2) eene krans; 3) de kroon ; 4) omsingeling , blokkering. Vooral deze vierde en laatste verwijzing is hier relevant en belangrijk want door deze hele coronavirus lijken wij  wel omsingeld of geblokkeerd door deze wereldwijde catastrofe of calamiteit. Toch vind ik ook dat we als Europeanen voor onze kerstvakanties veel te ver en te vaak zomaar reizen naar Thailand en Turkije of naar Tibet en Taiwan. Maar wat voor mij veel erger is:    Ik kan vandaag niet naar mijn stamkroeg met bovendien ook nog die wel zeer passende en ironische naam Le petit Liberty om aldaar aan een heerlijk kopje koffie te nippen of om gulzig en gretig een groot glas met zwaar schuimend bier te proeven. En om het nog erger te maken is het vandaag ook nog eens een fris maar mooi lenteweertje. Maar de terrassen van de biertempels en de koffiehuizen zijn alom en allerwegen gesloten door deze epidemie. Ook in Sluis, Hulst, Eindhoven en Maastricht want ik ben een Heel-Nederlander. Wat moet ik nu dringend en dwingend doen? Ik zal zo lang en zo vaak als mogelijk rustig thuis blijven. En verder leven volgens de raadgeving van het Franse genie Blaise Pascal die zeker geen gewone denker was maar een grote wiskundige, een uitvinder en een zeer vrome katholieke denker (en zeker een geestverwant van onze Ieperse bisschop Jansenius)  en een godgeleerde die in zijn beroemde boek met zijn gedachten (Pensées)  in de zeventiende eeuw ons de raad gaf om onze kamers of onze cellen (voor de monniken en de gevangenen onder ons!) niet te verlaten zoals in het citaat dat hier boven staat.                                                         

                                                                                                                                 Hendrik Carette

TWEE PASTICHES

Twee pastiches bij het lezen en wegen van het gedicht ‘Brak’ van de dichter Hubert van Herreweghen

 

Brimstig  

 

Het is een borst die gij moet vinden,

het is een boezem, geen melkerij.

Ik die al vroeg mijn min beminde

die mij haar boezem gaf,

ik staar naar elke mooie decolleté

als een zieke obsédé

die smacht en niet wacht op de nacht.

Het is een borst die ik moet vinden,

het is een boezem, geen melkerij.

De boezems die mijn jeugd verblijdden,

de strelingen in de sponde, het zuchten,

de vleselijke liefde en de hogere honing.

De diepe geul tussen twee forse borsten

maakt mij hevig en brimstig,

mijn hand en mijn mond daarnaar verlangt.

Het is een borst die ik moet vinden,

het is een boezem, geen melkerij.

 

 

Plastisch

 

Het is een doek dat gij moet spannen,

het is een marine, geen stilleven.

Ik die al vroeg schetste en etste

en aquarelleerde in de duinen

die de zee kon horen wanneer ik goed

luisterde in een Brussels tuintje

met de beelden van Egmont en Hoorne.

Het is een doek dat ik moet spannen,

het is een marine, geen stilleven.

Ik die huppel en spring bij mijn schildersezel

bij mijn miniaturen en mijn aardewerk

met het blauwsel aan de hemel

en de varens in de schaduw op de aarde.

Als akkerman, landman, wandelaar

zeg ik de dingen die ik zag en ‘k zing.

Het is een doek dat ik moet spannen,

het is een marine, geen stilleven.

 

Hendrik Carette

GEDICHT

Vallis Augustana (Val d’Aoûta)

 

In de stad Aosta zullen wij weer samenkomen

alsof wij daar de Vlaamse vlakte

en de woelige Noordzee hadden begraven.

 

Onder het donkere licht van de maan

zullen we dan samen gaan naar de Witte Berg

op de besneeuwde bergpas

waar Karel de Grote van Aken naar Rome trok

en tien eeuwen later Napoleon naar Milaan.

 

In de vallei zullen we glijden langs de ravijnen

om de berglucht in te ademen

en te ontbijten in het hospice met geitenmelk,

Italiaans brood, Japanse thee en Franse eieren.

 

Hendrik Carette

In Memoriam

Waarde Lezers en Lezeressen,                                   Schaarbeek, 5 februari 2020

 

 

Gisteren hoorde ik dat de essayist en cultuurfilosoof George Steineroverleden is en vandaag las ik in de krant De Standaard op bladzij 33 een mooi artikel ‘De man die mij leerde wat en hoe te lezen’ van Alexander Rooseover zijnlectuuravontuur met deze wonderlijke man. Een aantal jaren geleden was ik aanwezig in een aula van de katholieke universiteit van Tilburg om Steiner aldaar te horen spreken. Het was trouwens het tijdschrift Nexus dat deze lezing (in het Engels) organiseerde.

Maar voor mijn lezers en lezeressen verwijs ik hier even naar het gedicht ‘Een apologie van George Steiner’ op bladzij 20 van mijn dichtbundel Een zeemeermin aan de monding van het Zwin (Gent: PoëzieCentrum, 2011) dat ik hier graag in extenso citeer:

 

Een apologie van George Steiner        

 

Nadat het verval van het woord was begonnen en het contract werd verbroken.

Nadat hij de grammatica van de schepping voor de aartsvaders had verklaard.

 

Nadat de stringente Steiner, als laatste erudiet en styliet, zelfs één seizoen

In de hel en tot aan de valbrug van het kasteel van Blauwbaard had gestaan.

 

Nadat de citerende geleerde met zijn hang naar het absolute, na Babel, maar

vóór de ineenstorting van de wereldtoren, ook zijn errata had neergeschreven,

 

liet God, de God van de volheid der tijden en van de diaspora, onder apocalyptisch

applaus van zijn engelen in de hemel, de ladder van Jacob nog één keer neer. 

  

Hendrik Carette

 

Gedichtendag

Vertroosting van de thalassocratie op Kreta

  

Vijf blije lichtblauwe dolfijnen keken naar mij

met een guitige mond en guitige ogen

op de verfijnde verschilferde wandschildering

in de kamer van de koningin

in Knossos

in ‘t paleis van koning Minos.

 

Hendrik Carette

Reisgedicht

Vallis Augustana (Val d’Aoûta)

 

In de stad Aosta zullen wij weer samenkomen

met een ezeltje en een jonge Sint-Bernardshond

alsof wij daar de Vlaamse vlakte

en de woelige Noordzee hadden begraven.

 

Onder het donkere licht van de maan

zullen we dan samen de Witte Berg beklimmen

op de besneeuwde bergpas

waar Karel de Grote van Aken naar Rome trok

en tien eeuwen later Napoleon naar Milaan.

 

En rusten in het hospice

gesticht door de heilige Bernard de Menthon

in de vallei van Aosta

waar we goed kunnen ademen en aarden.

 

Hendrik Carette

NOTITIES

Zeventien leef- en leesnotities

                                                             Il faut de la vie faire un sonnet –

ou bien se pendre.

Cioran, Divagations

 

Toen de Stromboli op het gelijknamige vulkaaneiland een vulkaanuitbarsting kende en in het zuiden van de staat Californië aardschokken waren stierf de kunstschilder en dichter Serge Largot (Ernest Aerts) op 1 juli 2019 in Grandpré (niet ver van de Belgische grens) in de akelige Franse Ardennen. Serge was geboren in Brugge op 14 juni 1929.  En zwierf rond in Europa (Frankrijk en Spanje) en in Amerika (Suriname en New York). De dood was voor deze Bruggeling in de diaspora (hij las Paul Valéry en Stéphane Mallarmé en ook graag de Duitse dichter Novalis) het einde van een lang en avontuurlijk leven. Zijn dichtbundel De heilige schuur verscheen in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Lepel-reeks van de Antwerpse dichter Adriaan Peel (1927 – 2009) die uiteindelijk een Boeddhistische monnik werd.

*

Het nieuwe Jaarboek (nr. 23, 2019) omheen de persoon, de gedachten, de invloed en het werk van Joris van Severen is verschenen en bewijst – voor wie dit nog nodig was – dat de machthebbers in nazi-Duitsland helemaal niet gediend waren met de ideeën van deze West-Vlaamse aristocraat en staatsman in spe.

*

Gaston Durnez is dood, maar prof. Dr. Piet Thomas leeft nog!

*

Ik lees het nieuwste boek van de Fransman Sylvain Tesson en het is alsof ik in dit boek La panthère des neiges (Paris: Gallimard, 2019) meereis met hem naar Tibet. Want ook ik lijd aan Fernweh (wat een mooi Duits woord!). Tesson was eerder al in Siberië en schreef toen zijn boek Dans les forêts de Sibérie (2011). En dit laatste boek stimuleerde mij bij het schrijven van het gedicht ‘Een omoel’ dat verscheen in Het Liegend Konijn. Zijn boeken zijn geen gewone reisboeken omdat zijn boeken gelardeerd werden met scherpe filosofische observaties. En de sneeuwpanter (Panthera uncia) is inderdaad een prachtig dier dat in de koude hoge Aziatische bergen leeft.

*

Panamarenko wilde zweven boven Antwerpen en de Aarde. Met een kepie aan en in zijn eigen uniform. Zijn jongensdroom deed mij denken aan de boeken die voeger verschenen in de reeks ‘Jongens en wetenschap’.

*

Mijn harde strijd tegen de goedkope altijd alom en allerwegen heersende ironie gaat verder. Ook Ilja Leonard Pfeijffer is nu blijkbaar een medestander in deze strijd. Het werd tijd. Zijn boekje Ondraaglijke lichtheid (Amsterdam: Prometheus, 2019) met als ondertitel ‘Over het nut en nadeel van de ironie voor het leven’ bewijst het.

*

Op een terras op de markt van Atrecht (nu Arras) word ik altijd weer een irredentist. Of op de kustweg (D 940) van Calais naar Boulogne. Want ik wil dan altijd weer dat deze stad en deze regio terugkeert naar en weer een deel wordt van mijn verboden en verloren vaderland.

*

Minstens één keer per maand bezoek ik hier het café La mort subite en drink daar dan een donker echt  trappistenbier (een blauwe Chimay) in de hoop dat daar dan alsnog Amélie Nothomb zal opduiken.

*

Zou Georges Wildemeersch als hij wakker wordt en zich scheert dan ook nog aan het leven van de dode Hugo Claus denken? En soms vraag ik mij af wie kent nu nog de volgende versregel van Claus: “Ik ben van het blanke ras en ongehuwd.”

*

Waar was BenIto Mussolini van 1919 tot 1920 toen de dichter Gabriele D’Annunzio in Fiume was? En neen, dit is geen retorische vraag. Want ook na het lezen van het boek La folie d’Annunzio (Paris: Buchet/Chastel, 2019) van de Italiaan Olivier Tosseri blijft deze vraag het vragen waard.

*

Ik leef niet langer in een walm van tabak en foezel. En ik lijd niet aan kolieken en poliepen. Ik lijd aan het leven en dat is niet te genezen.

*

De dichter Richard Minne van wie Paul Claes helaas geen gedicht heeft opgenomen in zijn overigens prachtige boek Lyriek van de Lage Landen heeft dus wel een gedicht geschreven dat Claes had kunnen opnemen. Ik verwijs dan graag naar zijn krachtig wintergedicht ‘Verweer tegen de winter’ dat zo begint : “Gij land van sneeuw en snerpend ijs, wat heb ik nog van u te verwachten…”

*

Telkens wanneer ik met de zeemzoete Kerstdagen op de televisie kijk naar een optreden van de wereldberoemde en populaire (vooral in Australië, Nieuw-Zeeland en Oostenrijk) Limburgse violist André Rieu (°Maastricht, 1949) met zijn vierenveertig violisten denk ik toch ook: Hoe zou het nog zijn met Sigiswald Kuijken en zijn unieke ensemble La Petite Bandevoor barokmuziek en Bachmuziek. En met zijn musicerende broers Wieland en Barthold?

*

Menno Wigman en Jules Deelder zijn nu helaas ook al dood, maar Martin Ros en Maarten ’t Hart leven nog!

*

Toch twee unieke schrijvende broers: Gerard en Karel van het Reve. Van deze laatste verscheen nu het unieke boek Karel van het Reve voor gevorderden (Amsterdam: Van Oorschot, 2019) samengesteld door David van het Reve. En gelukkig zonder voorwoord en zonder nawoord. En ja, sinds een paar dagen weet ik het wel zeker: ook ik ben bij de literaire gevorderden.

*

Tien jaar geleden (oktober 2009, nr. 2) verschenen voor het eerst vier gedichten van mijn hand in het tijdschrift Het Liegend Konijnvan Jozef Deleu. Een toch niet zo onbelangrijk moment in het leven van een overtollig mens.

*

‘Jou zullen we maar overslaan’ denkt de dood bij het zien van mijn lijf en leden.

 

                                                                                  Hendrik Carette

                                                                      Schaarbeek, december 2019

 

NOTITIES

 

 

Negentien nuchtere notities

 

Daarom blijft de naïviteit het staatsiekleed van het genie, zoals

naaktheid dat is van de waarheid.

Arthur Schopenhauer, In de tuin der letteren  

 

Bij de dood van Gaston Durnez (en ook bij de dood van de dichters Serge Largot en Ben Klein) dacht ik wie zal de volgende zijn? En ik durf geen namen noemen, want soms ben ik een echte profeet.

*

Een mooie alliteratie: In Raqqa resteren nu ruïnes.

 

*

Was Erich Wichman een Nederlandse fascist? Jazeker en de geleerde Arnold Heumakers schreef een relevant essay over deze fascinerende figuur in De Witte Raaf (nr. 193) van juni 2018 met als titel ‘De kunst om niet te bevriezen’ en als ondertitel ‘Erich Wichman tussen avant-garde en fascisme’.

*

De schilderijen van de mystieke kunstschilder Louis Baretta (Elsene,1866 – Schaarbeek, 1928) staan letterlijk te verrotten achter de wandkasten in het stadhuis en de scholen van de provinciale slaapstad Veurne.

*

Ik zou graag eens een toneelstuk willen zien van Henry de Montherlant. Bij voorbeeld ‘La Reine morte’…Of van Michel de Ghelderode. Bij voorbeeld ‘La Balade du Grand Macabre’…en van Jean Anouilh. Bij voorbeeld ‘Antigone’. Maar de vraag die rijst is de volgende:  Moet ik daarvoor nu echt met een tijdmachine terug naar Parijs?

*

In de overvolle trams en in de overvolle ondergrondse metrolijnen zie ik veel volk maar weinig mensen (het woord is van de poète maudit Marcel van Maele). En bijna allen staren verdwaasd naar een klein apparaat dat zij bevingeren.

*

Het tijdschrift Rijmtijdvan de Guido Gezellekring publiceerde in de maand juli mijn gedicht ‘De laatste Vlaamse IJslandvaarders’ en dit vermoedelijk om dat boven dit gedicht een citaat van Guido Gezelle staat: “o Grondig groene zee,/ ‘k ben visschende op de baren / van uwe oneindigheid.”

*

De negen bollen van het Atomium blinken onder de aanhoudende miezerige regen.

*

Nee, ik moet niet naar Amerika, want ik beluister het muziekstuk Amériques (Original 1921 Version) van de Franse componist Edgard Varèse.

*

De Franse geograaf, anarchist, dichter en schrijver en ecologist (avant la lettre) Elisée Reclus stierf in Torhout op 4 juli 1905. Hij was een groot man. Zijn laatste grote vreugde was toen hij hoorde van de revolte van de matrozen of de muiterij op de Russische pantserkruiser Potemkin.

*

De beste dichters zijn vrijwillige of onvrijwillige bannelingen: de dichter Stefaan van den Bremt woont nu in het koude Koudekerke in Zeeland. Benno Barnard waant zich een Engelsman in het landelijke East Sussex en ik woon al jaren tussen de moslims in mijn getto in Schaarbeek in Huize De Drie Tulpen.

*

Margot Vanderstraeten (°Hasselt, 1967) is nu onze mooiste en charmantste schrijfster. En daarom ben ik van plan haar boek Mazzel Tovte lezen. En ja, niet die absurdistische gedichten van ons lelijk eendje Delphine Lecompte.

*

Na een operatie of een medisch ingrijpen in mijn neus las ik het verhaal ‘De Neus’ van Nikolaj Gogol en daarna las ik Vladimir Nabokov over Gogol. Zo werd ik a.h.w. de stille luisterende gespreksgenoot van twee Russische genieën.

*

De duivel bestaat echt. Ik heb hem gezien: het is de Rostenduvel van Michel de Ghelderode die in Gent en omstreken rondwaart als een spook. En hij woont in Oostakker waar hij de Oostakkerse gedichten van Hugo Claus probeert te lezen.

*

De dichter Ben Zwaal is de zwaluw van onze taal. En dit is niet zomaar een taalgrapje of een goedkope woordspeling.

*

O gruwel! De Indische nationalist Mahatma Gandhi schreef een brief aan kanselier Adolf Hitler en de aanhef van deze brief, gedateerd op 24 december 1940, luidt als volgt: “Beste vriend, Dat ik u aanpreek als vriend is geen formaliteit. Ik bezit geen vijanden.“

*

Ik lees en herlees nu Bomans. Hij was toch een subliem en subtiel schrijver en hierbij een goede les voor alle literaire jury’s en pseudo-letterkundigen; hij won of ontving niet één literaire prijs.

*

Wilt u een echte valabele geheimtip in de letteren van de Lage Landen: lees dan alles van Anneke Brassinga. Al haar gedichten en essays en neem meteen ook haar vertalingen erbij. Ik denk dan bij voorbeeld aanDe dood van Vergilius(het boek van Hermann Broch, uit het Duits) en haar keuze en vertalingen uit de Memoires van de beruchte Franse hertog Saint-Simon.

*

De zoon van de dichteres Christine D’haen is Sylvester B. Hij is een lachende langharige musicoloog en ook hij woont in een huis in Schaarbeek. Wat een troost en wat een vreemd toeval; want ook in Brugge woonden wij al lang geleden beiden recht over elkaar in dezelfde Jerusalemstraat. Zijn zus Anna-Livia B. is een Iranologe die het oude Perzisch beheerst en de Perzische dichters in het Perzisch bestudeert. Maar zij woont in Leiden.

 

Hendrik Carette

                                                                                             Schaarbeek, november 2019

IN MEMORIAM

In memoriam Gaston Durnez (Wervik, 1928 – Lier, 2019)

Van loopjongen tot letterkundige

 

Hij was één jaar ouder dan Piet Thomas, maar had eigenlijk geen bepaalde leeftijd meer. Iedereen kende hem en hij kende iedereen: van Mark Grammens tot Jozef Deleu en van Ludo Simons tot Patrick Lateur. Mijn laatste ontmoeting en gesprek met deze West-Vlaming in de diaspora dateert al van een paar jaar geleden toen in Leuven op de Keizersberg een dichtbundel van de oude Brabander Hubert van Herreweghen werd voorgeteld. Samen met Paul Claes dronk hij een glaasje op de receptie en Gaston keek nog guitig zoals hij altijd deed. Hij was ook een meester in subtiele woordspelingen of woordgrapjes die hij dan met een wijze glimlach en guitige ogen achter zijn blinkende brillenglazen debiteerde.

Toch vertelde hij mij toen onomwonden dat hij boos en ontgoocheld was in de krant De Standaard. (zoals zovele deftige en brave flaminganten). Hij, die nota bene de geschiedenis van deze krant had neergeschreven. Durnez was dé biograaf en bewonderaar van Felix Timmermans en zal in zijn lang en vruchtbaar leven allicht ook een paar andere katholieke auteurs; zoals Godfried Bomans en Anton van Duinkerken hebben ontmoet.

De Franse Provence was voor Gaston het paradijs. Zijn boek De krekels van de Provence (Tielt: Lannoo, 2004) is geen gewone reisgids maar een mooie ode aan dit zuiderse land aan de voet van de Ventoux met mooie kleurtekeningen van Lieve Zeghers. Dit zuiderse land waar de boomlange dichter René Char (le capitaine Alexandre de la Résistance) ontmoetingen organiseerde met de Duitse filosoof Martin Heidegger en waar Alphonse Daudet op bezoek kwam bij Frédéric Mistral. Gaston Durnez moet genoten hebben van zijn verblijf in de Provence. Het naïeve geluk en het literair genot spatten van elke bladzij. Misschien is dit wel zijn beste boek want hier was hij op zijn best als literair journalist die graag zijn lichtvoetige kronieken noteert.

Ook zijn biografie van de Britse schrijver Gilbert Keith Chesterton De lach van Chesterton (Tielt: Lannoo, 2006) is een merkwaardig boek. Zo citeert Durnez hierin een deel het Lepanto-gedicht of een ballade (in het Engels) en roept dan plots uit op pagina 106: “Probeer dat maar eens te vertalen, dichtertje uit de Lage Landen!”.

Maar zijn meest merkwaardige en verrassende boek is toch Een mens is maar een wandelaar (Leuven: Davidsfonds, 2018) het boek dat verleden jaar als het ware zijn leven afrondde. En dat als een fragmentatiebom in de Vlaamse intellectuele elite heeft ingeslagen. Dit boek is de bekroning en de rechtvaardiging van zijn bestaan. Omdat Durnez hierin niets en niemand heeft vergeten. Waarvoor alsnog nogmaals onze postume dank. De kroniekschrijver Durnez is helaas niet zo oud mogen worden als Stijn Streuvels, maar hij heeft zeker wel genoten van zijn pensioen.

HENDRIK CARETTE      

Wereldgedicht

Het heilige moeten  

                                             Het oog heeft ruimte nodig. Daarin ligt het geheim

besloten van onze fascinatie voor openheid.

                                              Kester Freriks, Stilte, ruimte, duisternis

                                                                     

Ik moet naar Patagonië en Vuurland

om de weg te vinden naar de horizon

naar het einde aan de einder.

 

Ik moet naar Namibië

om Walvisbaai en Windhoek te zien

en de laatste dieren in de woestijn.

 

Ik moet naar de Mont Blanc

desnoods met een toeristentreintje

en dan naar de flank aan de Italiaanse kant.

 

Ik moet naar Kazachstan en Mongolië

om de vlakten te zien

met het oog van een steenarend.

 

Ik moet naar Ameland, naar het Oerd

om daar dan te waden in de zuigende grond

of de modder van het wonderlijke waddenland.

 

Ik moet de oude Oceaan zien

aan de westkust van Ierland.

Ja, niet ver van Connemara.

 

Ik moet naar Nepal en Tibet

naar de nok van de wereld

want ik ben een hoogtewerker.

 

Ik moet naar Australië en Tasmanië

want ik ben een verkenner

en luister naar de songs van de Aboriginals.

 

Ik moet naar Quéribus en Montségur

naar de ruïneuze resten van de burchten

waar de Catharen waren.

 

En ik moet weer naar het lage Moerenland

om boven de moeren

de niet zo blauwe Blauwvoet te zien.

 

 

Hendrik Carette