GEDICHT

Verlanglijst

 

Geef mij geld en gouden juwelen, duurzame aandelen.

Geef mij na de zoveelste beurscrash een boek

van Longinus in het Latijn.

Een genie die wel weet waarover het gaat: het sublieme

en het verlangen naar het sublieme.

 

Geef mij Hadewijch en Sappho, geen losbandige Lesbia

zoals haar minnaar Catullus haar altijd wilde.

Toon mij een tattoo voor het erotisch mystieke leven.

Toon mij een deel van het geheel.

Of geef mij maar niets, ik zal het wel dromen en stelen.

 

Hendrik Carette

Denkbeeldige reis

IJsland

 

Er zijn geen slangen op het eiland IJsland

geen zwarte slangen en geen vale ijsberen

en soms achter een struik of een basalten steen

– er zijn hier weinig of geen bomen –

schuilt een struise geknevelde Vikingmaagd.

 

Snorri, de skald, die door de geleerde Borges

meer dan eens werd geciteerd (wat een eer!)

werd vermoord in zijn buitenbad (Snorri’s warme bron)

maar hij verwekte meerdere dochteren en zonen

bij meerdere warme roodharige IJslandse vrouwen.

 

IJsland is veel groener dan het nabije Groenland.

 

Hendrik Carette

Open Brief

Brief aan Lucienne Stassaert; de Jonkvrouw met de te zware spade 

 

Aujourd’hui, il n’y a plus que les prêtres qui veulent se marier.

Louise de Vilmorin

De adellijke dichteres Louise de Vilmorin met haar blauwe salon en haar zwierige hoofse manieren en haar vele beroemde minnaars (Antoine de Saint-Exupéry, André Malraux en alle anderen) zuchtte : ‘Je suis née inconsolable’ en onze weerbarstige agressieve dichter Henri Michaux: ‘Je suis né fatigué’. Vooral die eerste verzuchting lijkt mij voor u zeer toepasselijk. Inktzwart en hartgrondig somber zijn uw herinneringen die u schreef voor het boek Souvenirs (Leuven:  Uitgeverij P, 2014).

Hoe meer ik bladerde en las in uw smartelijke boek, hoe meer ik begon te denken; dit boek moet ik rustig herlezen en u dan een brief schrijven. Geen dreigbrief, geen bedelbrief, geen scheldbrief maar een brief ter vertroosting en ter lering.  Gewoon om een paar mistroostige misvattingen uit dit boekje te lichten en om het dus letterlijk wat lichter en helderder te maken. Want het uitzicht op uw Umweltblijkt meestal verduisterd en versluierd door uw al of niet opgedroogde tranen. Ziehier mijn tien bezwaren of corrigerende commentaren die ik in elf punten, punt per punt, aan uw lezers en lezeressen wilde meegeven.

 

1 Mijn goede vriend Herwig Verleyen (°Dendermonde, 1946) schreef negen sobere betekenisvolle haiku’s over de schilderijen van de ascetische schilder Dan van Severen die verschenen in de Poëziekrant (dd. augustus-september 2009, p. 27 ). Deze negen haiku’s vormen een mooi geheel, maar ik citeer hier toch even één ervan; de negende:

Hij trekt een lijn,

alsof niemand dit vóór hem deed –

voor het allereerst.

En hoewel deze haiku mij ook een beetje doet denken aan Michel Seuphor die ook graag een lijn trok, werd deze publicatie door u helaas niet vermeld.

2 Uw liefde voor de muziek van de Franse componist Maurice Ravel is aannemelijk, maar luister ook eens naar muziek van de componist Edgard Varèse.

3 Niet de Chileen Pablo Neruda, maar de Argentijn Jorge Luis Borges is m.i. de grote Amerikaanse dichter van de vorige eeuw. Niet de heilig verklaarde Neruda, maar de ongelooflijk erudiete Borges verdiende de Nobelprijs voor de letteren. Wat Bart Vonck en zijn vrienden ook mogen beweren. En de eerste Nederlandse vertaling van fragmenten uit de Canto General werd trouwens in 1973 uitgegeven door Johan Sonneville te Brugge in een mooie losbladige uitgave

4 De uitgever, dichter en romancier Johan Sonneville was wel degelijk een vrijmetselaar en dus een broeder voor zijn broeders in het Groot-Oosten. Misschien op dat moment toen eenslapende… Hij bevestigde dit ooit zelf in kapitalen of hoofdletters in het tijdschrift Gierik. Vraag het maar aan zij die het kunnen weten.

5 Jan de Roek was inderdaad een veelbelovend talentvol dichter, maar hij is helaas te jong gestorven. Na zijn Jeunesse doréewas het zijn lot om vroeg te sterven.

6 Uw voormalige echtgenoot; de plastische kunstenaar Wybrand Ganzevoort had een zeldzame zin voor humor. En u weet het misschien niet meer, maar van mij kreeg hij in elk geval een eeuwige vergunning. En uw persoonlijke ontgoocheling of uw huwelijksperikelen kunnen daar niets aan veranderen. Zijn werk ‘De geest in de fles’ bewijst dat hij wel degelijk een visie had, en zijn drie-dimensionele plastische démarche kreeg zelfs geen aandacht in het boek Vorm & visie(Gent: PoëzieCentrum, 2014) van Renaat Ramon. Zoals alle fijnzinnige humoristen is hij wellicht een tragisch trieste kunstenaar. Maar hem nu als een dwerg bestempelen, vond ik toch een valse noot op uw klavier.

7 Algerijnse rode wijn is meestal te slecht om te drinken. Amélie Nothomb drinkt ’s morgens vroeg elke dag minstens één liter groene thee. Henri Michaux was een notoire waterdrinker. Maar koning Alcohol onterft of doodt eerder vroeg dan laat al zijn koningszonen.

8 Uw poezenliefde is zeer aandoenlijk en ook ik had hier in Schaarbeek tijdens een bepaalde periode niet minder dan drie poezen (Moustache, Mistral en Déodat) en in het Liber amicorumLucienne Stassaert(Antwerpen, 1995) schreef Henri-Floris Jespers een mooie tekst over Moorke, Lamartine en Ravachol (de mooie namen van zijn drie poezen), maar weet u wat de Franse filosoof Blaise Pascal in zijn Pensées (Editions du Seuil, 1962) schreef over onze dierenliefde : ‘Bassesse de l’homme jusqu’à se soumettre aux bêtes, jusques à les adorer. ‘ (Papiers classés, 53, 429). De Hollandse verteller en bioloog Maarten ’t Hart hield zelfs ooit van ratten en bestudeerde deze dieren. Charlotte Mutsaers hield zielsveel van haar hondje Plume en zelf ben ik al jaren een groot bewonderaar van de baleinwalvis en ooit had ik zelfs een mooie Pruisische sierhond (Lisa), over wie ik het gedicht ‘Eenaristocratische hond’ heb geschreven… maar een dier kan natuurlijk nooit de aanwezigheid van een geliefde of een trouwe vriend vervangen.

9 Renaat Ramon schreef ooit een grafgedicht over uw verschijning. Nooit mocht ik dit gedicht lezen en ook de lezers van het letterkundig tijdschrift Diogenes mochten het nooit lezen. Een grafgedicht over iemand die nog leeft is altijd gevaarlijk en heeft meestal een licht spottende of soms zelfs zwaar cynische onder- en boventoon. En ik vermoed dat het al bij al nog een geluk is voor u dat dit gedicht nooit het daglicht zag.

10 Wat nu de liefde betreft : ik raad u aan om de aangrijpende en ontroerende roman Over de liefde (Amsterdam : Querido, 2008, achtste druk) van de helaas ook al overleden Doeschka Meijsing te lezen.

11 U heeft twee dochters op de wereld geworpen. En het zijn echt mooie, verstandige en buitengewoon goede dochters. Dit feit zou u mateloos moeten verblijden, te meer omdat ik een fervent aanhanger ben en blijf van het matriarchaat.

 

Uw toegenegen,

Hendrik Baudewijn Carette

 

P.S. : Ik raad u niet aan om naar Hamme te gaan om u daar definitief te vestigen, u kunt beter naar de zeekust gaan, naar Oostduinkerke of naar Oostende waar ooit de schilder Leon Spilliaert woonde en werkte en waar ook Charlotte Mutsaers nog altijd graag verblijft. Het leven is voor niemand een lachertje, maar een zachte zeewind en soms een zeewind met windkracht acht kan helpen om te overleven en even de bitterheid van het leven te vergeten. Ook Zeeuws-Vlaanderen of de kust van  Zeeland (Zoutelande, Domburg of Zierikzee)  biedt een mooi uitzicht.  Onze collega, de dichter Stefaan van den Bremt zou zich trouwens al sinds een paar jaar daar hebben gevestigd, meer bepaald in Koudekerke, op het voormalige eiland Walcheren.

 

GEDICHT

Het Bourgondisch banket

 

voor Philip Hoorne

 

De dikke ziener en ik eten met honger en smaak.

De dikke ziener en ik zijn geen magere zenuwlijders

en we zitten graag aan de lange eiken tafel van de hertog.

 

We eten eerst elk vier ganzeneieren

en vullen onze arme darmen

met bruin roggebrood en gele gezouten boter.

 

Daarna proeven we de pasteitjes en slurpen

aan de warme vleessoep. We drinken daarbij

geen bier en geen putwater uit een Artesische put

maar beenderzwarte Bourgognewijn.

 

Dan volgen de snoeken, brasems en baarzen

en de gemarineerde kwartels en fazanten

op een bed van spetterende sauzen.

 

Dit alles gevolgd door gedroogde vruchten en een grog

want morgen moeten we weer een hele tijd vasten.

 

Hendrik Carette

NOTITIES

Zestien rijmende ongerijmdheden

 

Poëzie is een spel dat voor de spelers bittere ernst is.

Greshoff, Nachtschade                                                                                                          

1. Ja, ik bewonder beiden: Blaise Pascal en Blaise Cendrars

maar ook de poëet René Char en zelfs Marguerite Yourcenar.

 

2. De Roemeen Cioran was groot en Peter Sloterdijk is zijn profeet

doch noch in Leiden, noch in Leuven hoor ik iemand die het weet.

3. Gerrit Komrij was geen fabeldier; daarom stierf hij alhier

in Amsterdam en niet in Lissabon, in Cadix of in Algiers.

4. De leraar van de bloedige keizer Nero was de wijze Seneca

die eerder door keizer Claudius werd verbannen naar Corsica.

5. Toen Tacitus nog leefde beefde elke Romein voor de Germanen

vooral tijdens de opstand van de Friezen en van de Bataven.

 

6. De eerste minnares van Borges luisterde naar de naam Ulrica.

Later volgden nog de mooie namen van Beatriz, Lisa en Elvira.

 

7. Mijn vader was geen gewone staartloze mensaap

en ik was een wonderkind en een wonderknaap.

8. De taal van Christine D’haen was altijd rijk en eerder ongewoon.

En ik luisterde al vroeg naar de stem van haar machtige demon.

9. Paul Claes is een eminente essayist, vertaler en exegeet.

Toch vermoed ik, nee ik weet dat zelfs hij niet alles weet.

10. Ik houd van Amélie Nothomb met haar hoge zwarte hoed.

Zij weet dit niet, maar zo is en blijft het beter dan goed.

 

11. De Russische dichter Velimir Chlebnikov lachte in zijn gedicht

‘Bezwering door lachen’ met allen die lachten in zijn gezicht.

12. Mijn vermogen om te bewonderen zonder afgunst

gaat samen met mijn aandacht voor de hoge kunst.

 

13. In mijn chaotische bibliotheek heb ik goede boeken

want ik zoek naar de waarheid in de vier hoeken.

 

14. Onder het licht van de leeslamp kan ik verdwijnen,

almaar hoger en lichter zweven en alles ontstijgen.

15. De dood lijkt op een varaan of een vreselijke draak

die ons wil bijten en doden tijdens onze slaap.

16. Met een voorkeur voor de bitterheid van het leven

wacht ik niet op uw zegen of op de klok van negen.

 

                                                                                             Hendrik CARETTE

Gedichtendag

Carette en zijn oude Cadillac

 

Soms, tussen Aalter en Aalst, maar meestal tussen Bouillon

en Virton, droom ik van een rode Autobianchi Stellina

en dan weer van een zachtgroene Austin Healy

beide uit het bouwjaar 1965

toen ik al liftend naar het zuiden reisde.

 

Nu droom ik van een oude beige Cadillac Convertible

(Original and hard to find) uit 1962

of een mooi gerestaureerde witte Morgan

om via Roscoff met de boot naar Cork en dan verder

naar de wilde Atlantische westkust van Ierland te rijden.

 

Want ik wil zeker niet stilstaan en niet blijven filerijden

en zeker nergens zomaar toeteren of luid claxonneren.

 

Hendrik Carette

Gedicht

Wittgenstein

 

Trek het je niet aan, ik weet dat jullie het nooit zullen begrijpen.

Ludwig Wittgenstein op 18 juni 1929 in Cambridge.

 

 

In zijn tijd was Wenen de stad der steden

voor Joden, Bohemers en Slovenen

voor walsende Hongaren en huzaren

voor clochards, schnitzeleters en vedelaars.

 

Hij schreef een beenhard traktaat

in genummerde decimalen.

De dichter Waskowsky wilde het lezen

en W.F. Hermans kon het vertalen.

 

Wat hij neerschreef was niet eerder

met zo’n accuratesse en acribie

zo griezelig scherp geschreven.

 

Ook de stad der steden is nu haast verdwenen

want de geest van Karl Kraus

en de muziek van Johann Strauss (vader & zonen)

zweven al lang niet meer boven de stad Wenen.

 

 

Hendrik Carette

Poème

Herinnering aan Henri Chopin (Parijs, 1922 – Norfolk, 2008)

                                                                                              voor Dr. Herman Sabbe

 

Zijn familienaam deed denken aan Frédéric Chopin

maar hij had de mooie voornaam Henri

en dezelfde initialen als Hugo Claus en Hart Crane

met de letter h van hoog

en de letter c van calamiteus.

 

Hij ademde zowel door de open mond

van de verwondering

als door de fijne scherpe neus

van het inzicht

 

en zijn algoritme ademde avant-garde.

 

Hendrik Carette

In Memoriam Luc R.C. Deleu

Missive voor Luc R.C. Deleu

 

De dood bestaat niet. De stemmen van mijn doden

fluisteren mij ’s nachts in dat ik dat dag na dag

moet mompelen en later overdag mag noteren.

 

Ik negeer al heel mijn leven het bestaan van de dood.

Omdat Borges nu de enige en eeuwige bibliothecaris

in de bibliotheek van Alexandrië moet zijn.

 

En omdat de verheven dichter Jan Hendrik Leopold

vertaalde wat Epicurus zei in Uit den tuin van Epicurus

in helder Nederlands vanuit het oude Grieks:

 

Zolang we er zijn, is de dood er niet, en wanneer

de dood er is, zijn wij er niet meer.

 

Alleen de verrijzenis bestaat of het zweven der atomen.

 

Hendrik Carette

RAADGEVINGEN

De raadgevingen van Rainer Maria Rilke

 

Vooral de huidige jeugd keert zich van Rilke af, met een ijzige geringschatting die zelfs  als reactie op de frenetieke bewondering van                                                                      vroegere generaties niet helemaal te verklaren is.

                                                          Egon Schwarz, Das verschluckte Schluchzen

Paul Claes ontraadselde in zijn nieuwe lezing van de Neue Gedichtede raadsels van Rilke, maar wie luistert nog naar de raadgevingen van Rilke? Zijn mooi verhelderend boek Raadsels van Rilke (Amsterdam: De Bezige Bij, 1996) zou in het Duits en het Engels moeten worden vertaald. De erudiete Claes beheerst deze beide talen zo goed dat hij dit bijna zèlf zou kunnen doen en daardoor zou hij ook meteen terecht een internationale weerklank verdienen voor dit boek. Misschien luisteren de dichters in Vlaanderen te weinig naar de strenge raadgevingen van deze Oostenrijkse hermetische maniërist.

Franz Xaver Kappus (Temeswar, 1883 – Berlijn, 1966) aan wie Rilke ooit tien mooie en zeer leerzame brieven vanuit Parijs, Viareggio, Worpswede, Rome en vanuit Zweden heeft geschreven is echter nooit een groot dichter geworden. In de bloemlezing Das Deutsche Gedicht  (Frankfurt: Fischer Bücherei, 1957) van Edgar Hederer is niet één gedicht van deze toentertijd jonge aarzelende dichter te vinden. De onderluitenant Kappus werd wel een romancier en een journalist en koos dus uiteindelijk niet voor de poëzie. Misschien omdat hij allicht te goed heeft geluisterd naar deze veeleisende raadgevingen of omdat hij na de lectuur van deze tien brieven toch wel begon te beseffen dat hij nooit op de eenzame barre en ijle hoogten van zijn correspondent en grote voorbeeld kon komen. De brieven van Rilke aan een jonge Venetiaanse vrouw in Lettres à une amie vénitienne (Parijs: Gallimard/Arcades, 1985) op wie Rilke allicht verliefd was zijn dan weer zweveriger en minder filosofisch en behoren tot het genre van de liefdesbrieven.

In Rilke’s Briefe an einen jungen Dichter  (Leipzig: Insel, 1929);  uit het Duits in het Frans vertaald door de uitgever Bernard Grasset (Parijs: Grasset, 1941) en Brieven aan een jonge dichter (Weesp: De Haan, 1985) vond ik minstens acht belangrijke raadgevingen die ik hier even opsom en eigenlijk volledig onderschrijf, omdat hij hier het wezen van de poëzie aanraakt en aanreikt. Ik citeer deze raadgevingen in de Nederlandse vertaling van Theodor Duquesnoy hier cursief :

  1. Niemand kan u raad geven en helpen, niemand. (uit de eerste brief gedateerd op 17 februari 1903). Deze eerste bemerking zal elke beginnende dichter vroeg of laat moeten beamen.
  2. Schrijf geen liefdesgedichten ; vermijd in eerste aanleg de genres die te zeer bekend en gewoon zijn: dat zijn de moeilijkste, want het vereist een grote, tot volle rijpheid gekomen kracht om iets eigens voort te brengen op een gebied waar goede en ten dele schitterende tradities in overvloed aanwezig zijn. (ook uit de eerste brief)

Liefdesgedichten waren ook voor mij altijd al het moeilijkst en bijna een verboden terrein.  Paul Snoek schreef met zijn Gedichten voor Maria Magdalena wel negen prachtige liefdesgedichten.

3  Zoek de diepte van de dingen: daarheen daalt de ironie nooit af – en als u zich zo naar de uiterste grootheid beweegt, toets dan meteen of deze opvatting inherent is aan uw wezen. (uit de tweede brief gedateerd op 5 april, 1903) Velen dachten dat ik altijd maar ironiseerde, maar dit wilde ik niet en ik ben al zeker geen cynicus. En ik denk hierbij aan de eerste zinnen van Nescio in zijn verhaal van maar één pagina ‘Eerste ontroering’ : “God erbarme zich over de cynici. Ik ben nu cynicus. Misschien was ’t beter als ik maar helemaal gek geworden was of overreden door de tram, wat dikwijls bijna gebeurd is. Vroeger was ik dichter. En als cynicus zeg ik : ’t was geen lolletje, voor mij niet en voor niemand.“

4  En laat mij hier meteen het verzoek uitspreken: lees zo min mogelijk esthetisch-kritische geschriften – het zijn ofwel partijopvattingen, versteend en zinloos geworden in hun levenloze verstarring, ofwel slinkse woordspelingen, waarbij vandaag deze mening zegeviert en morgen de tegenovergestelde. (uit de derde brief gedateerd op 23 april, 1903). Naar deze raadgeving heb ik helaas nooit geluisterd.

5  Nodig is toch alleen: eenzaamheid, een grote innerlijke eenzaamheid.(uit de zesde brief gedateerd op 23 december, 1903). Eenzaamheid is een noodzakelijke voorwaarde.

6  En wees blij en welgemoed. (aan het einde van de zesde brief) Deze raadgeving heb ik meer dan eens ook ongepast toegepast.

7  U moet geduld oefenen als een zieke en van vertrouwen zijn vervuld als iemand die herstellende is; want misschien bent u dat wel allebei. (uit de langste achtste brief gedateerd op 12 augustus 1904) Het ontbreekt mij soms nog altijd aan geduld en vertrouwen. En ik voel mij juist terecht of onterecht heel gezond en helemaal niet ziek. Ik schrijf niet om mijzelf te genezen.

8  De stilte moet immens zijn waarin plaats is voor zulke geluiden en bewegingen, en als men bedenkt dat bij dit alles nog de verre aanwezigheid van de zee komt en meeklinkt, misschien wel als de innigste klank in deze prehistorische harmonie, dan kan men u alleen maar toewensen dat u zichzelf vol vertrouwen en geduldig overgeeft aan die grootse eenzaamheid,… (in de tiende en laatste brief gedateerd op de dag na Kerstdag van het jaar 1908). Zie voor commentaar naar punt 5.

Slechts drie andere schrijvers worden in deze correspondentie nadrukkelijk met name genoemd : de mij onbekende Richard Dehmel van wie hij de naam zelfs in hoofdletters (p. 17) citeert, de Deen Jens Peter  Jacobsen (zie hiervoor o.m. de passage op p. 16) en de bewonderenswaardige Amerikaan Edgar Allan Poe (op p. 45) van wie elke hedendaagse thrillerschrijver heden absoluut eerst alle verhalen, ja alle, zou moeten lezen. Voorts is er een verwijzing naar de beeldhouwer Auguste Rodin (Rilke was een tijdlang zijn privésecretaris) en een verwijzing naar het standbeeld van Marcus Aurelius  (“het mooiste ruiterstandbeeld dat van de Romeinse kunst bewaard is gebleven” op p. 27) De toon van deze brieven (de brieven van zijn correspondent blijven een geheim) blijft altijd zeer hoffelijk en de lezer verwondert zich over het zachte geduld en de openheid van Rilke die hier tot in detail wijze raadgevingen geeft over de liefde, de eenzaamheid, de vrouw, de triestheid, de moeheid, de menselijke gevoelens, et cetera. De vragen die hier wellicht door Franz Kappus werden gesteld werden als het ware beantwoord met nieuwe indringende vragen die Rilke niet ontwijkt en als een verheven raadgever formuleert.

In zijn nawoord ‘Rilke et la vie créatrice’ bij deze Franse uitgave (Paris: Bernard Grasset, 1941) schrijft de vertaler Bernard Grasset : “L’équilibre est un rapport entre ce que l’homme exige de lui-même et ce qu’il peut. “ Rilke eiste veel van zichzelf en van de dichter. Om deze reden zou elke jonge debuterende dichter naar deze raadgevingen van Rilke moeten teruggrijpen. En ook de oudere dichters die zich ontgoocheld afvragen of het nog zin heeft om gedichten te schrijven en deze te willen laten publiceren. Want op alle acht aangehaalde raadgevingen heeft Rilke, als een hogepriester van de lyriek, waarlijk groot gelijk.

Niet zozeer de hermetische gedichten van de sfinx Rilke fascineren mij, maar zijn neurotische levenswijze en zijn wat elitaire levenskunst. Een drietal jaren geleden bezocht ik ‘Il Castello di Duino’ aan de Adriatische Zee dicht bij de nu Italiaanse havenstad Triëst waar De Elegieën van Duino of de Duineser Elegien zijn ontstaan en vermoedelijk ook geschreven. Niet vanuit een beate  bewondering voor de dichter Rilke, maar gevolg gevend aan zijn andere raadgeving uit De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, zijn enige roman van 1910 die ik hier nu helaas niet meer terugvind om het citaat letterlijk te kunnen citeren : dat een dichter eerst vele steden en landen moet hebben gezien en veel hebben gereisd of rondgezworven. Wie trouwens niet graag al die brieven leest (Rilke schreef ook brieven over de Franse schilder Paul Cézanne) en liever de gedichten moet maar de vertaling De Elegieën van Duino ter hand nemen van de zeer geleerde prof. dr. W.J.M. Bronzwaer die zijn vertalingen (Baarn: Ambo, 1978) ook van zeer geleerde (soms ongewild geestige) aantekeningen heeft voorzien. Slechts twee voorbeelden uit die aantekeningen om het excentrieke leven en werk van Rilke te duiden: “Marie von Thurn und Taxis was slechts één van de vele vrouwen die Rilke tijdens zijn leven hebben bemoederd.” Of nog dit citaat uit de inleiding van Bronzwaer : “In een brief van 6 januari 1931 schrijft Du Perron aan Ter Braak dat Rilke hem soms aan een ‘hysterische oude maagd’ doet denken.”

Rilke blijft in elk geval een dichter die niet te beroerd was om ook raadgevingen (geen droge academische instructies!) te geven aan wie zich aan het begin van de vorige eeuw als een adembenemende alpinist op onbereikbare hoogten wilde wagen. En nog iets : mij gaat het – zoals bij de auto’s – niet om de techniek van de motor, noch om het overmatige verbruik van olie of benzine, maar om het koetswerk van die mooie oude auto’s of oldtimers. En de gedichten van een Baudelaire moet men in het Frans lezen, zoals men de gedichten van Rilke in het Duits moet lezen met behulp van de boeken van een Bronzwaer of een Paul Claes.

 

Hendrik Carette