Gedicht

Wittgenstein

 

Trek het je niet aan, ik weet dat jullie het nooit zullen begrijpen.

Ludwig Wittgenstein op 18 juni 1929 in Cambridge.

 

 

In zijn tijd was Wenen de stad der steden

voor Joden, Bohemers en Slovenen

voor walsende Hongaren en huzaren

voor clochards, schnitzeleters en vedelaars.

 

Hij schreef een beenhard traktaat

in genummerde decimalen.

De dichter Waskowsky wilde het lezen

en W.F. Hermans kon het vertalen.

 

Wat hij neerschreef was niet eerder

met zo’n accuratesse en acribie

zo griezelig scherp geschreven.

 

Ook de stad der steden is nu haast verdwenen

want de geest van Karl Kraus

en de muziek van Johann Strauss (vader & zonen)

zweven al lang niet meer boven de stad Wenen.

 

 

Hendrik Carette

Poème

Herinnering aan Henri Chopin (Parijs, 1922 – Norfolk, 2008)

                                                                                              voor Dr. Herman Sabbe

 

Zijn familienaam deed denken aan Frédéric Chopin

maar hij had de mooie voornaam Henri

en dezelfde initialen als Hugo Claus en Hart Crane

met de letter h van hoog

en de letter c van calamiteus.

 

Hij ademde zowel door de open mond

van de verwondering

als door de fijne scherpe neus

van het inzicht

 

en zijn algoritme ademde avant-garde.

 

Hendrik Carette

In Memoriam Luc R.C. Deleu

Missive voor Luc R.C. Deleu

 

De dood bestaat niet. De stemmen van mijn doden

fluisteren mij ’s nachts in dat ik dat dag na dag

moet mompelen en later overdag mag noteren.

 

Ik negeer al heel mijn leven het bestaan van de dood.

Omdat Borges nu de enige en eeuwige bibliothecaris

in de bibliotheek van Alexandrië moet zijn.

 

En omdat de verheven dichter Jan Hendrik Leopold

vertaalde wat Epicurus zei in Uit den tuin van Epicurus

in helder Nederlands vanuit het oude Grieks:

 

Zolang we er zijn, is de dood er niet, en wanneer

de dood er is, zijn wij er niet meer.

 

Alleen de verrijzenis bestaat of het zweven der atomen.

 

Hendrik Carette

RAADGEVINGEN

De raadgevingen van Rainer Maria Rilke

 

Vooral de huidige jeugd keert zich van Rilke af, met een ijzige geringschatting die zelfs  als reactie op de frenetieke bewondering van                                                                      vroegere generaties niet helemaal te verklaren is.

                                                          Egon Schwarz, Das verschluckte Schluchzen

Paul Claes ontraadselde in zijn nieuwe lezing van de Neue Gedichtede raadsels van Rilke, maar wie luistert nog naar de raadgevingen van Rilke? Zijn mooi verhelderend boek Raadsels van Rilke (Amsterdam: De Bezige Bij, 1996) zou in het Duits en het Engels moeten worden vertaald. De erudiete Claes beheerst deze beide talen zo goed dat hij dit bijna zèlf zou kunnen doen en daardoor zou hij ook meteen terecht een internationale weerklank verdienen voor dit boek. Misschien luisteren de dichters in Vlaanderen te weinig naar de strenge raadgevingen van deze Oostenrijkse hermetische maniërist.

Franz Xaver Kappus (Temeswar, 1883 – Berlijn, 1966) aan wie Rilke ooit tien mooie en zeer leerzame brieven vanuit Parijs, Viareggio, Worpswede, Rome en vanuit Zweden heeft geschreven is echter nooit een groot dichter geworden. In de bloemlezing Das Deutsche Gedicht  (Frankfurt: Fischer Bücherei, 1957) van Edgar Hederer is niet één gedicht van deze toentertijd jonge aarzelende dichter te vinden. De onderluitenant Kappus werd wel een romancier en een journalist en koos dus uiteindelijk niet voor de poëzie. Misschien omdat hij allicht te goed heeft geluisterd naar deze veeleisende raadgevingen of omdat hij na de lectuur van deze tien brieven toch wel begon te beseffen dat hij nooit op de eenzame barre en ijle hoogten van zijn correspondent en grote voorbeeld kon komen. De brieven van Rilke aan een jonge Venetiaanse vrouw in Lettres à une amie vénitienne (Parijs: Gallimard/Arcades, 1985) op wie Rilke allicht verliefd was zijn dan weer zweveriger en minder filosofisch en behoren tot het genre van de liefdesbrieven.

In Rilke’s Briefe an einen jungen Dichter  (Leipzig: Insel, 1929);  uit het Duits in het Frans vertaald door de uitgever Bernard Grasset (Parijs: Grasset, 1941) en Brieven aan een jonge dichter (Weesp: De Haan, 1985) vond ik minstens acht belangrijke raadgevingen die ik hier even opsom en eigenlijk volledig onderschrijf, omdat hij hier het wezen van de poëzie aanraakt en aanreikt. Ik citeer deze raadgevingen in de Nederlandse vertaling van Theodor Duquesnoy hier cursief :

  1. Niemand kan u raad geven en helpen, niemand. (uit de eerste brief gedateerd op 17 februari 1903). Deze eerste bemerking zal elke beginnende dichter vroeg of laat moeten beamen.
  2. Schrijf geen liefdesgedichten ; vermijd in eerste aanleg de genres die te zeer bekend en gewoon zijn: dat zijn de moeilijkste, want het vereist een grote, tot volle rijpheid gekomen kracht om iets eigens voort te brengen op een gebied waar goede en ten dele schitterende tradities in overvloed aanwezig zijn. (ook uit de eerste brief)

Liefdesgedichten waren ook voor mij altijd al het moeilijkst en bijna een verboden terrein.  Paul Snoek schreef met zijn Gedichten voor Maria Magdalena wel negen prachtige liefdesgedichten.

3  Zoek de diepte van de dingen: daarheen daalt de ironie nooit af – en als u zich zo naar de uiterste grootheid beweegt, toets dan meteen of deze opvatting inherent is aan uw wezen. (uit de tweede brief gedateerd op 5 april, 1903) Velen dachten dat ik altijd maar ironiseerde, maar dit wilde ik niet en ik ben al zeker geen cynicus. En ik denk hierbij aan de eerste zinnen van Nescio in zijn verhaal van maar één pagina ‘Eerste ontroering’ : “God erbarme zich over de cynici. Ik ben nu cynicus. Misschien was ’t beter als ik maar helemaal gek geworden was of overreden door de tram, wat dikwijls bijna gebeurd is. Vroeger was ik dichter. En als cynicus zeg ik : ’t was geen lolletje, voor mij niet en voor niemand.“

4  En laat mij hier meteen het verzoek uitspreken: lees zo min mogelijk esthetisch-kritische geschriften – het zijn ofwel partijopvattingen, versteend en zinloos geworden in hun levenloze verstarring, ofwel slinkse woordspelingen, waarbij vandaag deze mening zegeviert en morgen de tegenovergestelde. (uit de derde brief gedateerd op 23 april, 1903). Naar deze raadgeving heb ik helaas nooit geluisterd.

5  Nodig is toch alleen: eenzaamheid, een grote innerlijke eenzaamheid.(uit de zesde brief gedateerd op 23 december, 1903). Eenzaamheid is een noodzakelijke voorwaarde.

6  En wees blij en welgemoed. (aan het einde van de zesde brief) Deze raadgeving heb ik meer dan eens ook ongepast toegepast.

7  U moet geduld oefenen als een zieke en van vertrouwen zijn vervuld als iemand die herstellende is; want misschien bent u dat wel allebei. (uit de langste achtste brief gedateerd op 12 augustus 1904) Het ontbreekt mij soms nog altijd aan geduld en vertrouwen. En ik voel mij juist terecht of onterecht heel gezond en helemaal niet ziek. Ik schrijf niet om mijzelf te genezen.

8  De stilte moet immens zijn waarin plaats is voor zulke geluiden en bewegingen, en als men bedenkt dat bij dit alles nog de verre aanwezigheid van de zee komt en meeklinkt, misschien wel als de innigste klank in deze prehistorische harmonie, dan kan men u alleen maar toewensen dat u zichzelf vol vertrouwen en geduldig overgeeft aan die grootse eenzaamheid,… (in de tiende en laatste brief gedateerd op de dag na Kerstdag van het jaar 1908). Zie voor commentaar naar punt 5.

Slechts drie andere schrijvers worden in deze correspondentie nadrukkelijk met name genoemd : de mij onbekende Richard Dehmel van wie hij de naam zelfs in hoofdletters (p. 17) citeert, de Deen Jens Peter  Jacobsen (zie hiervoor o.m. de passage op p. 16) en de bewonderenswaardige Amerikaan Edgar Allan Poe (op p. 45) van wie elke hedendaagse thrillerschrijver heden absoluut eerst alle verhalen, ja alle, zou moeten lezen. Voorts is er een verwijzing naar de beeldhouwer Auguste Rodin (Rilke was een tijdlang zijn privésecretaris) en een verwijzing naar het standbeeld van Marcus Aurelius  (“het mooiste ruiterstandbeeld dat van de Romeinse kunst bewaard is gebleven” op p. 27) De toon van deze brieven (de brieven van zijn correspondent blijven een geheim) blijft altijd zeer hoffelijk en de lezer verwondert zich over het zachte geduld en de openheid van Rilke die hier tot in detail wijze raadgevingen geeft over de liefde, de eenzaamheid, de vrouw, de triestheid, de moeheid, de menselijke gevoelens, et cetera. De vragen die hier wellicht door Franz Kappus werden gesteld werden als het ware beantwoord met nieuwe indringende vragen die Rilke niet ontwijkt en als een verheven raadgever formuleert.

In zijn nawoord ‘Rilke et la vie créatrice’ bij deze Franse uitgave (Paris: Bernard Grasset, 1941) schrijft de vertaler Bernard Grasset : “L’équilibre est un rapport entre ce que l’homme exige de lui-même et ce qu’il peut. “ Rilke eiste veel van zichzelf en van de dichter. Om deze reden zou elke jonge debuterende dichter naar deze raadgevingen van Rilke moeten teruggrijpen. En ook de oudere dichters die zich ontgoocheld afvragen of het nog zin heeft om gedichten te schrijven en deze te willen laten publiceren. Want op alle acht aangehaalde raadgevingen heeft Rilke, als een hogepriester van de lyriek, waarlijk groot gelijk.

Niet zozeer de hermetische gedichten van de sfinx Rilke fascineren mij, maar zijn neurotische levenswijze en zijn wat elitaire levenskunst. Een drietal jaren geleden bezocht ik ‘Il Castello di Duino’ aan de Adriatische Zee dicht bij de nu Italiaanse havenstad Triëst waar De Elegieën van Duino of de Duineser Elegien zijn ontstaan en vermoedelijk ook geschreven. Niet vanuit een beate  bewondering voor de dichter Rilke, maar gevolg gevend aan zijn andere raadgeving uit De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, zijn enige roman van 1910 die ik hier nu helaas niet meer terugvind om het citaat letterlijk te kunnen citeren : dat een dichter eerst vele steden en landen moet hebben gezien en veel hebben gereisd of rondgezworven. Wie trouwens niet graag al die brieven leest (Rilke schreef ook brieven over de Franse schilder Paul Cézanne) en liever de gedichten moet maar de vertaling De Elegieën van Duino ter hand nemen van de zeer geleerde prof. dr. W.J.M. Bronzwaer die zijn vertalingen (Baarn: Ambo, 1978) ook van zeer geleerde (soms ongewild geestige) aantekeningen heeft voorzien. Slechts twee voorbeelden uit die aantekeningen om het excentrieke leven en werk van Rilke te duiden: “Marie von Thurn und Taxis was slechts één van de vele vrouwen die Rilke tijdens zijn leven hebben bemoederd.” Of nog dit citaat uit de inleiding van Bronzwaer : “In een brief van 6 januari 1931 schrijft Du Perron aan Ter Braak dat Rilke hem soms aan een ‘hysterische oude maagd’ doet denken.”

Rilke blijft in elk geval een dichter die niet te beroerd was om ook raadgevingen (geen droge academische instructies!) te geven aan wie zich aan het begin van de vorige eeuw als een adembenemende alpinist op onbereikbare hoogten wilde wagen. En nog iets : mij gaat het – zoals bij de auto’s – niet om de techniek van de motor, noch om het overmatige verbruik van olie of benzine, maar om het koetswerk van die mooie oude auto’s of oldtimers. En de gedichten van een Baudelaire moet men in het Frans lezen, zoals men de gedichten van Rilke in het Duits moet lezen met behulp van de boeken van een Bronzwaer of een Paul Claes.

 

Hendrik Carette    

Raadgevingen voor een ruw-romantisch leven

Raadgevingen voor een ruw-romantisch leven  

 

Rijd op de rug van een pony door IJsland

zoals ooit Ludwig Wittgenstein deed

en zoek een eenzame houten hut in Noorwegen.

 

Verlaat de weg van koning Olaf

bewonder de fjorden

en vaar naar de eilanden van de Lofoten.

 

Zoek een lief op Bornholm

dat Deense eiland onder de kust van Zweden

en trek met haar naar de oorden van het noorden.

 

Staar naar de nachtelijke donkere sterrenhemel

om dichter bij God en de goden te zijn

en lees in de boeken van Kierkegaard en Knausgard.

 

Spring in het midden van dat grote Saigaameer

en vergeet de Skalden

maar sluit u aan bij de Samen of de Finnen in Karelië.

 

Hendrik Carette

In memoriam Eric Defoort (Ieper, 1943 – Gent, 2016)

 

Hij was een historicus verdwaald in de politiek

want hij schreef goede boeken over Charles Maurras

en zelfs over een Vlaamse kasteelvrouwe in Niepkerke (Nieppe)

met die zo Franse naam Marie-Thérèse Le Boucq de Ternas.

 

Later lachte hij op een terras van het Vrijheidsplein in Brussel

toen ik hem zei: Geert Bourgeois heeft

le sérieux de la province.  

 

Laat ons nu allen even

droef en treurig wezen

terwijl onze illusies over Vlaanderen nog altijd bloeien.

 

Hendrik Carette

 

ANSICHT UIT AMSTERDAM

Wim Zaal zond mij een ansicht

Ziehier de bemoedigende en troostende woorden

van deze letterkundige die ik hier graag

woord na woord citeer:

 

Ik herlees je Zwinse zeemeermin

en kom opnieuw, misschien nog

sterker, onder haar bekoring. Wat

een heerlijke bundel! En omdat

dichters weinig aanmoediging ont-

vangen deel ik je dit even mee. Ik

lees schrijvers niet langer omwille

van hun betekenis, invloed of repu-

tatie maar om ‘spreken ze mij aan,

vinden ze weerklank in mijn geest

of hart’ en dat uitgangspunt bevalt

me goed. Dus, dichter, houd moed !

Wim Zaal, Muiden

 

Missive voor Dirk Van Bastelaere

Missive voor Dirk van Bastelaere

Het scrotum is de laag hangende behaarde balzak
voor de weke sjanker, de warme urine en het zaad.

De ziel is een anima of een pneumatische wind
die aangeblazen wordt door een levensgeest.

Het brein is een netwerk van neuronen dat sneller
dan het licht de verbinding maakt met de frontale lobben.

Het corpus is het hele lijf met het gebeente of het skelet
achter en onder de aders, de organen, pezen en poriën.

En het hart is en blijft een spier. Een stuwende spier
die mijn blauw bloed naar mijn edele delen pompt.

Hendrik Carette

Missive voor Patrick Lateur

Ten tijde van Tacitus waren de Friezen waarschijnlijk
onderworpen aan Rome. Tacitus zou van de Friezen
gezegd hebben “Frisia non cantat” (Friesland zingt niet).

Deze bewering kan nu na meer dan twintig eeuwen
worden gelogenstraft. De bijna blinde Friese bard
Tsjêbbe Hettinga zong als een galmende gong.

Toch lees ik graag in dat gevaarlijk boek van Tacitus.
Ook al heeft hij de terpen van de Friezen niet gezien.

Hendrik Carette

Boekbespreking

Gaston Durnez en zijn dode vrienden

Is dit het laatste boek van Gaston Durnez? (Wervik, 1928). Wellicht, want hij is al negentig jaar jong (Maria Rosseels noemde hem steevast de jongeling) en in zijn nieuwste boek Een mens is maar een wandelaar herinnert hij ons aan het kleurrijke bestaan van bijzondere figuren die hij in levende lijve heeft mogen ontmoeten. Over Felix Timmermans schreef hij al een dik boek of een biografie (Tielt: Lannoo, 2000). Een journalist is maar een snuffelaar zou ik wat oneerbiedig kunnen parafraseren. Maar in zijn bijzonder geval dan wel een met een goede smaak, een goede stijl en altijd een gevoel voor humor (hij schreef ook een boek over de Engelse schrijver Chesterton) en met gerijpte levenswijsheid. Durnez vergat zelden een detail of een anekdote en dit maakt al zijn boeken zo aangenaam leesbaar.

Gaston Durnez werkte al sinds kort na de tweede wereldoorlog als een man van de krant of als een razende reporter (gebroken armen en benen) en later als een literair journalist, kroniekschrijver en speurder. Hij werd nooit hoofdredacteur van een Vlaamse krant maar wel een beroemde biograaf en een degelijk letterkundige, of iemand die zeer goed de letteren kent. Dit blijkt vooral sinds zijn pensionering. Denken we maar aan zijn boek De krekels van de Provence (Tielt: Lannoo, 2004) en zijn monumentale werk over de geschiedenis van zijn dagblad de eertijds zo strijdbare en herkenbare De Standaard.
De journalist is maar een snuffelaar
De titel van zijn boek Een mens is maar een wandelaar heeft hij ontleend aan een vers van de dichter Bert Decorte en deze opent als eerste dit boek waarin Gaston Durnez niet minder dan dat 29 portretten schetst van beroemde of allicht helaas al vergeten figuren. En mijn parafrase van hierboven is in het geval van Durnez geheel en al ontkracht. De namenlijst van de hier zo diep-menselijk (Durnez leefde mee met al deze mensen of had telkens de nodige empathie en ook bewondering) geportretteerde figuren is en blijft indrukwekkend. Ik denk dan aan namen als John Flanders (alias Jean Ray en met zijn echte naam Raymond Jean de Kremer), de pater Constant van Gestel, de historicus Albert de Jonghe, de fotograaf Paul Van den Abeele, de kajotter Eugeen Coine, de journaliste en schrijfster Maria Rosssels, de schrijvende West-Vlaming André Demedts, de jezuïet Max Wildiers, de burgemeester en journalist Emiel van Cauwelaert (de vader van de nu beter bekende Rik van Cauwelaert), de auteur Herman Bossier, de seizoenarbeiders of Fransmannen die elk jaar nog naar het noorden van Frankrijk trokken om daar ten tijde van Arm Vlaanderen en nog lang daarna tot diep in de vorige eeuw een harde strijd voor hun bestaan streden, de heemkundige Dr. Jozef Weyns, de plastische kunstenaar Ray Gilles, de bekende Aalsterse schrijver Louis Paul Boon, de voormalige Dinaso Luc Delafortrie die ook de kleinzoon was van de priester Pieter Daens, de voormalige eerste minister Théo Lefèvre uit de Franstalige Gentse bourgeoisie, de nu vergeten bestsellerschrijver Paul Lebeau , de Kempense voorman Emiel van Hemeldonck, de verteller Ernest Claes, de voormalige rector van het wereldberoemde Europacollege in Brugge, de Antwerpse auteur en magisch-realist Hubert Lampo, de pater Ulrik Geniets, de saviste Coralina de Maegd, de auteur Steven Debroey, Albert de Smaele (volgens Durnez ‘de grootste Vlaamse krantenuitgever van de vorige eeuw’) en te slotte de Brabantse dichter Hubert van Herreweghen die pas twee jaar geleden is overleden.
Redden van de vergetelheid
Al deze figuren zijn uiteraard al dood en begraven en omdat Durnez als schrijver zo’n hoge eerbiedwaardige leeftijd heeft bereikt is hij een echte bevoorrechte getuige en kon hij goed al deze levensverhalen samenvatten en elke keer weer in een tien à vijftien bladzijden redden van de vergetelheid. De opsomming van al deze namen deed ik hier met opzet om aan te tonen hoeveel mensen Durnez als het ware ambtshave heeft mogen ontmoeten en ook om zowel onze jongere en onze oudere lezers aan te sporen om dit merkwaardige boek te lezen. Niemand anders dan Gaston Durnez kon dit zo doen. En al bij al is het misschien spijtig dat hij nog niet meer van zulke portetten heeft gemaakt. Hij moet een goed en groot archief hebben bewaard en ook een zeer goed geheugen. Zou hij ooit niet de declamator Antoon van der Plaetse hebben ontmoet in Tielt of in andere winderige en wakke West-Vlaamse oorden. En Mark Grammens moet hij toch ook goed hebben gekend. Om nog maar te zwijgen van de omstreden priester Cyriel Verschaeve of de voormalige gevreesde hoofdredacteur van De Standaard Manu Ruys? Of wat te denken van zijn ontmoetingen met André Leysen, de Antwerpse industrieel en redder van De Standaard. Of zelfs zijn reactie op de weglating van het ooit zo bekende logo AVV/VVK door de latere hoofdredacteur Peter Vandermeersch die nu als een nieuwe Nederbelg in het noorden verblijft. En wat denkt Gaston Durnez van Mia Doornaert? We zullen het wellicht nooit weten, tenzij de monkelende minzame Gaston (bewuste Vlaming en katholiek en een strijder in de ontvoogdingstrijd!) misschien toch nog in een later boek zijn doos van Pandora opent en ons opnieuw alles vertelt wat hij niet meer wilde of durfde vertellen. Sommige mensen die in dit boek opdagen krijgen dankzij dit boek zowaar nog een postuum eerherstel. En dit is een daad van rechtvaardigheid. Of soms een hommage voor al deze figuren die het arme Vlaanderen weer rijk hebben gemaakt. En dit door het verleden niet te vergeten door het schrijven van dit kostbaar herinneringsboek.
Hendrik Carette
* Een mens is maar een wandelaar , door Gaston Durnez, Antwerpen: uitgeverijen Standaard en Davidsfonds, 2018, 432 pp., 29,99 euro, ISBN 978 90 5908 947 1, met telkens 29 foto’ s.