Nieuw gedicht

Ornithologisch erfgoed  

 

Fluit er een merel, dan voel ik geluk.

Anneke Brassinga, Roeping

 

Koert er een duif, dan wil ik met een boot

naar het Memelland en Koerland

om daar te kuieren en te koeren.

 

Krijst er een meeuw, dan wil ik naar zee

naar de duinen in Domburg en Zoutelande

en de droge haven van Zierikzee.

 

Roept er een uil, dan wil ik naar de Ardennen

onder de kruinen van hoge bomen

in de nis van de nacht.

 

Schreeuwt er een pauw, dan wil ik naar huis

naar het Ganzenhof en de wilde en onvervalste

pracht langs de watergracht.

 

En ja, ik zing als een lijster,

en ‘k loop als een kievit

want ik ben nog geen vogel voor de kat.

 

 

Hendrik Carette

Gelegenheidsgedicht

Kleine klacht van een rijke rentenier

 

Hij mag een ommetje maken maar niet te ver

want hij kan nu niet naar de leeszaal gaan

van de Koninklijke Bibliotheek op de Keizerslaan.

 

Hij kan nu niet naar zijn chalet in Normandië

of naar het graf van Jules Barbey d’Aurevilly

daar in Saint-Sauveur-le-Vicomte in de Cotentin.

 

Hij kan nu niet naar het Zeeuwse Vlaanderen

om het Zeeuwse licht te zien of een kluut, een kievit

of een smient boven ’t oude verzande Zwin.

 

Hij kan nu niet reizen naar de staat Maine

grenzend aan het koude Canada; naar het landhuis

dat nu een museum is voor Marguerite Yourcenar.

 

En hij verlaat zijn straat met een mondkapje aan

want hij wil weer naar de Dansaertstraat naar een chique

boetiek of naar de donkere salon van Madame Manon.

 

Hendrik Carette

Gedicht

IJsland

 

Er zijn geen slangen op het eiland IJsland

geen zwarte slangen en geen hongerige ijsberen

en soms achter een struik of een basalten steen

– er zijn hier weinig of geen bomen –

schuilt een struise geknevelde Vikingmaagd.

 

Snorri, de skald, die door de geleerde Borges

meer dan eens werd geciteerd (wat een eer!)

werd in zijn buitenbad (Snorri’s warme bron)

vermoord maar hij verwekte meerdere dochteren

en zonen bij zijn roodharige vruchtbare vrouwen.

 

IJsland is veel groener dan het nabije Groenland.

 

Hendrik Carette

Bedenking

                                                               O Corona

Al het leed der mensen spruit hieruit voort, dat zij niet rustig in hun kamer kunnen blijven. 

                                                                                                                                   Blaise Pascal

 

Corona is een leenwoord uit het Latijn en In mijn woordenboek der Latijnsche taal (het is een oud, zeer oud boek van J. Terpstra; in 1858 uitgegeven te Utrecht door C. Van der Post en het is of was ten gebruike der Latijnsche scholen in het Nederduitsch overgebragt) zocht ik naar de betekenis van het Latijnse woord corona. Want dankzij de goede Ouden en ook onze latinist en grote graecus Desiderius Erasmus weten we en beseffen we maar al te goed dat de betekenis en de wortels van vele zo niet al onze  woorden een oorsprong vinden in het Latijn en het Grieks. En ziehier wat dit oude woordenboek mij vertelt: 1)in ’t alg. Iets dat naareen krans gelijkt, een rond, eene aanronding; 2) eene krans; 3) de kroon ; 4) omsingeling , blokkering. Vooral deze vierde en laatste verwijzing is hier relevant en belangrijk want door deze hele coronavirus lijken wij  wel omsingeld of geblokkeerd door deze wereldwijde catastrofe of calamiteit. Toch vind ik ook dat we als Europeanen voor onze kerstvakanties veel te ver en te vaak zomaar reizen naar Thailand en Turkije of naar Tibet en Taiwan. Maar wat voor mij veel erger is:    Ik kan vandaag niet naar mijn stamkroeg met bovendien ook nog die wel zeer passende en ironische naam Le petit Liberty om aldaar aan een heerlijk kopje koffie te nippen of om gulzig en gretig een groot glas met zwaar schuimend bier te proeven. En om het nog erger te maken is het vandaag ook nog eens een fris maar mooi lenteweertje. Maar de terrassen van de biertempels en de koffiehuizen zijn alom en allerwegen gesloten door deze epidemie. Ook in Sluis, Hulst, Eindhoven en Maastricht want ik ben een Heel-Nederlander. Wat moet ik nu dringend en dwingend doen? Ik zal zo lang en zo vaak als mogelijk rustig thuis blijven. En verder leven volgens de raadgeving van het Franse genie Blaise Pascal die zeker geen gewone denker was maar een grote wiskundige, een uitvinder en een zeer vrome katholieke denker (en zeker een geestverwant van onze Ieperse bisschop Jansenius)  en een godgeleerde die in zijn beroemde boek met zijn gedachten (Pensées)  in de zeventiende eeuw ons de raad gaf om onze kamers of onze cellen (voor de monniken en de gevangenen onder ons!) niet te verlaten zoals in het citaat dat hier boven staat.                                                         

                                                                                                                                 Hendrik Carette

TWEE PASTICHES

Twee pastiches bij het lezen en wegen van het gedicht ‘Brak’ van de dichter Hubert van Herreweghen

 

Brimstig  

 

Het is een borst die gij moet vinden,

het is een boezem, geen melkerij.

Ik die al vroeg mijn min beminde

die mij haar boezem gaf,

ik staar naar elke mooie decolleté

als een zieke obsédé

die smacht en niet wacht op de nacht.

Het is een borst die ik moet vinden,

het is een boezem, geen melkerij.

De boezems die mijn jeugd verblijdden,

de strelingen in de sponde, het zuchten,

de vleselijke liefde en de hogere honing.

De diepe geul tussen twee forse borsten

maakt mij hevig en brimstig,

mijn hand en mijn mond daarnaar verlangt.

Het is een borst die ik moet vinden,

het is een boezem, geen melkerij.

 

 

Plastisch

 

Het is een doek dat gij moet spannen,

het is een marine, geen stilleven.

Ik die al vroeg schetste en etste

en aquarelleerde in de duinen

die de zee kon horen wanneer ik goed

luisterde in een Brussels tuintje

met de beelden van Egmont en Hoorne.

Het is een doek dat ik moet spannen,

het is een marine, geen stilleven.

Ik die huppel en spring bij mijn schildersezel

bij mijn miniaturen en mijn aardewerk

met het blauwsel aan de hemel

en de varens in de schaduw op de aarde.

Als akkerman, landman, wandelaar

zeg ik de dingen die ik zag en ‘k zing.

Het is een doek dat ik moet spannen,

het is een marine, geen stilleven.

 

Hendrik Carette

GEDICHT

Vallis Augustana (Val d’Aoûta)

 

In de stad Aosta zullen wij weer samenkomen

alsof wij daar de Vlaamse vlakte

en de woelige Noordzee hadden begraven.

 

Onder het donkere licht van de maan

zullen we dan samen gaan naar de Witte Berg

op de besneeuwde bergpas

waar Karel de Grote van Aken naar Rome trok

en tien eeuwen later Napoleon naar Milaan.

 

In de vallei zullen we glijden langs de ravijnen

om de berglucht in te ademen

en te ontbijten in het hospice met geitenmelk,

Italiaans brood, Japanse thee en Franse eieren.

 

Hendrik Carette

In Memoriam

Waarde Lezers en Lezeressen,                                   Schaarbeek, 5 februari 2020

 

 

Gisteren hoorde ik dat de essayist en cultuurfilosoof George Steineroverleden is en vandaag las ik in de krant De Standaard op bladzij 33 een mooi artikel ‘De man die mij leerde wat en hoe te lezen’ van Alexander Rooseover zijnlectuuravontuur met deze wonderlijke man. Een aantal jaren geleden was ik aanwezig in een aula van de katholieke universiteit van Tilburg om Steiner aldaar te horen spreken. Het was trouwens het tijdschrift Nexus dat deze lezing (in het Engels) organiseerde.

Maar voor mijn lezers en lezeressen verwijs ik hier even naar het gedicht ‘Een apologie van George Steiner’ op bladzij 20 van mijn dichtbundel Een zeemeermin aan de monding van het Zwin (Gent: PoëzieCentrum, 2011) dat ik hier graag in extenso citeer:

 

Een apologie van George Steiner        

 

Nadat het verval van het woord was begonnen en het contract werd verbroken.

Nadat hij de grammatica van de schepping voor de aartsvaders had verklaard.

 

Nadat de stringente Steiner, als laatste erudiet en styliet, zelfs één seizoen

In de hel en tot aan de valbrug van het kasteel van Blauwbaard had gestaan.

 

Nadat de citerende geleerde met zijn hang naar het absolute, na Babel, maar

vóór de ineenstorting van de wereldtoren, ook zijn errata had neergeschreven,

 

liet God, de God van de volheid der tijden en van de diaspora, onder apocalyptisch

applaus van zijn engelen in de hemel, de ladder van Jacob nog één keer neer. 

  

Hendrik Carette

 

Gedichtendag

Vertroosting van de thalassocratie op Kreta

  

Vijf blije lichtblauwe dolfijnen keken naar mij

met een guitige mond en guitige ogen

op de verfijnde verschilferde wandschildering

in de kamer van de koningin

in Knossos

in ‘t paleis van koning Minos.

 

Hendrik Carette

Reisgedicht

Vallis Augustana (Val d’Aoûta)

 

In de stad Aosta zullen wij weer samenkomen

met een ezeltje en een jonge Sint-Bernardshond

alsof wij daar de Vlaamse vlakte

en de woelige Noordzee hadden begraven.

 

Onder het donkere licht van de maan

zullen we dan samen de Witte Berg beklimmen

op de besneeuwde bergpas

waar Karel de Grote van Aken naar Rome trok

en tien eeuwen later Napoleon naar Milaan.

 

En rusten in het hospice

gesticht door de heilige Bernard de Menthon

in de vallei van Aosta

waar we goed kunnen ademen en aarden.

 

Hendrik Carette

NOTITIES

Zeventien leef- en leesnotities

                                                             Il faut de la vie faire un sonnet –

ou bien se pendre.

Cioran, Divagations

 

Toen de Stromboli op het gelijknamige vulkaaneiland een vulkaanuitbarsting kende en in het zuiden van de staat Californië aardschokken waren stierf de kunstschilder en dichter Serge Largot (Ernest Aerts) op 1 juli 2019 in Grandpré (niet ver van de Belgische grens) in de akelige Franse Ardennen. Serge was geboren in Brugge op 14 juni 1929.  En zwierf rond in Europa (Frankrijk en Spanje) en in Amerika (Suriname en New York). De dood was voor deze Bruggeling in de diaspora (hij las Paul Valéry en Stéphane Mallarmé en ook graag de Duitse dichter Novalis) het einde van een lang en avontuurlijk leven. Zijn dichtbundel De heilige schuur verscheen in de jaren zestig van de vorige eeuw in de Lepel-reeks van de Antwerpse dichter Adriaan Peel (1927 – 2009) die uiteindelijk een Boeddhistische monnik werd.

*

Het nieuwe Jaarboek (nr. 23, 2019) omheen de persoon, de gedachten, de invloed en het werk van Joris van Severen is verschenen en bewijst – voor wie dit nog nodig was – dat de machthebbers in nazi-Duitsland helemaal niet gediend waren met de ideeën van deze West-Vlaamse aristocraat en staatsman in spe.

*

Gaston Durnez is dood, maar prof. Dr. Piet Thomas leeft nog!

*

Ik lees het nieuwste boek van de Fransman Sylvain Tesson en het is alsof ik in dit boek La panthère des neiges (Paris: Gallimard, 2019) meereis met hem naar Tibet. Want ook ik lijd aan Fernweh (wat een mooi Duits woord!). Tesson was eerder al in Siberië en schreef toen zijn boek Dans les forêts de Sibérie (2011). En dit laatste boek stimuleerde mij bij het schrijven van het gedicht ‘Een omoel’ dat verscheen in Het Liegend Konijn. Zijn boeken zijn geen gewone reisboeken omdat zijn boeken gelardeerd werden met scherpe filosofische observaties. En de sneeuwpanter (Panthera uncia) is inderdaad een prachtig dier dat in de koude hoge Aziatische bergen leeft.

*

Panamarenko wilde zweven boven Antwerpen en de Aarde. Met een kepie aan en in zijn eigen uniform. Zijn jongensdroom deed mij denken aan de boeken die voeger verschenen in de reeks ‘Jongens en wetenschap’.

*

Mijn harde strijd tegen de goedkope altijd alom en allerwegen heersende ironie gaat verder. Ook Ilja Leonard Pfeijffer is nu blijkbaar een medestander in deze strijd. Het werd tijd. Zijn boekje Ondraaglijke lichtheid (Amsterdam: Prometheus, 2019) met als ondertitel ‘Over het nut en nadeel van de ironie voor het leven’ bewijst het.

*

Op een terras op de markt van Atrecht (nu Arras) word ik altijd weer een irredentist. Of op de kustweg (D 940) van Calais naar Boulogne. Want ik wil dan altijd weer dat deze stad en deze regio terugkeert naar en weer een deel wordt van mijn verboden en verloren vaderland.

*

Minstens één keer per maand bezoek ik hier het café La mort subite en drink daar dan een donker echt  trappistenbier (een blauwe Chimay) in de hoop dat daar dan alsnog Amélie Nothomb zal opduiken.

*

Zou Georges Wildemeersch als hij wakker wordt en zich scheert dan ook nog aan het leven van de dode Hugo Claus denken? En soms vraag ik mij af wie kent nu nog de volgende versregel van Claus: “Ik ben van het blanke ras en ongehuwd.”

*

Waar was BenIto Mussolini van 1919 tot 1920 toen de dichter Gabriele D’Annunzio in Fiume was? En neen, dit is geen retorische vraag. Want ook na het lezen van het boek La folie d’Annunzio (Paris: Buchet/Chastel, 2019) van de Italiaan Olivier Tosseri blijft deze vraag het vragen waard.

*

Ik leef niet langer in een walm van tabak en foezel. En ik lijd niet aan kolieken en poliepen. Ik lijd aan het leven en dat is niet te genezen.

*

De dichter Richard Minne van wie Paul Claes helaas geen gedicht heeft opgenomen in zijn overigens prachtige boek Lyriek van de Lage Landen heeft dus wel een gedicht geschreven dat Claes had kunnen opnemen. Ik verwijs dan graag naar zijn krachtig wintergedicht ‘Verweer tegen de winter’ dat zo begint : “Gij land van sneeuw en snerpend ijs, wat heb ik nog van u te verwachten…”

*

Telkens wanneer ik met de zeemzoete Kerstdagen op de televisie kijk naar een optreden van de wereldberoemde en populaire (vooral in Australië, Nieuw-Zeeland en Oostenrijk) Limburgse violist André Rieu (°Maastricht, 1949) met zijn vierenveertig violisten denk ik toch ook: Hoe zou het nog zijn met Sigiswald Kuijken en zijn unieke ensemble La Petite Bandevoor barokmuziek en Bachmuziek. En met zijn musicerende broers Wieland en Barthold?

*

Menno Wigman en Jules Deelder zijn nu helaas ook al dood, maar Martin Ros en Maarten ’t Hart leven nog!

*

Toch twee unieke schrijvende broers: Gerard en Karel van het Reve. Van deze laatste verscheen nu het unieke boek Karel van het Reve voor gevorderden (Amsterdam: Van Oorschot, 2019) samengesteld door David van het Reve. En gelukkig zonder voorwoord en zonder nawoord. En ja, sinds een paar dagen weet ik het wel zeker: ook ik ben bij de literaire gevorderden.

*

Tien jaar geleden (oktober 2009, nr. 2) verschenen voor het eerst vier gedichten van mijn hand in het tijdschrift Het Liegend Konijnvan Jozef Deleu. Een toch niet zo onbelangrijk moment in het leven van een overtollig mens.

*

‘Jou zullen we maar overslaan’ denkt de dood bij het zien van mijn lijf en leden.

 

                                                                                  Hendrik Carette

                                                                      Schaarbeek, december 2019