Gedicht

 

Mijn vier vermommingen

 

Zesenzestig jaar geleden, toen ik al zes jaar was

op de dag van mijn eerste communie

droeg ik een fraai matrozenpakje.

 

Als zestienjarige en achttienjarige adolescent

droeg ik plots een groen uniformhemd

met daarop een oranje das.

 

Later tijdens zomerse tuinfeesten

een donkerblauwe zeer burgerlijke blazer

met een dubbele rij gouden of goudkleurige knopen.

 

Nu draag ik graag een oudmodisch tweed jasje

gemaakt uit Schotse ruwe Shetlandwol

vermomd als arme aristocraat en literaat.

 

Hendrik Carette

 

 

Gedicht met een domme vraag

Arthur Schopenhauer uit Danzig

 

Wanneer ik Goethe lees, verveel ik mij. Wanneer ik Goethe

ergens geciteerd vind, ben ik verrukt – dit zonder enige ironie.

                                   Simon Vestdijk, Het eeuwige telaat  

 

 

De dikke pafferige Duitser Goethe minachtte hem

en miskende hem een beetje en de bekende dichter

had liever zijn moeder Johanna Schopenhauer

want ach; Arthur was toen nog onbekend en onbemind

– ook door en voor zijn eigen mondaine moeder.

 

Maar mijn domme vraag is nu na twee eeuwen:

wie lees ik en verkies ik nu?

En ik antwoord zonder schroom: ik verkies de denker.

 

Hendrik Carette

Reisgedicht

Een reisplan als levensplan                                               

Ook Homerus had al een baantje.

Als rapsode bij aristocraten.

Gerard Koolschijn, Geen sterveling weet   

 

Laten we samen naar Latium gaan

en daarna naar de heuvel Palatijn.

Jij mompelt daar dan in ‘t Latijn

en ik in ’t Grieks als een oude rapsode.

 

Laten we na deze eerste reis

naar een Grieks eiland gaan;

‘k dacht aan Patmos of Chios

maar het mag ook Kreta zijn.

 

Laten we dan naar Egypte gaan

op de weg die Eckhart ons aanwijst

naar een kluis met een kruis

of een Koptisch klooster in de woestijn.

 

Hendrik Carette