Citaat

Hollandse sigaren, Franse drank, boerenkost en een Vlaamse vrouw en… laat de wereld maar draaien.  

Antoon Vander Plaetse (Tijdschrift Vlaanderen, nr.136, nov.-dec. 1973) 

 

 

 

 

AGENDA

Op zondag  20 maart 2011 (vanaf 13.30 tot 18.30 uur) leest Hendrik Carette gedichten voor in ‘Dichter aan Huis’. Dit festival gaat door op diverse locaties in Beauvoorde (Veurne).

Onthaalpunt : koetshuis Kasteel Beauvoorde in de Wulveringemstraat. Meer info : segher.marc@skynet.be   

essay

Het wonderlijke woordenweb van Hubert van Herreweghen

 

Alle kunst berust op het publiek maken van het persoonlijke, daarom is alle kunst een ontmoeting met

een kunstenaar. Er is verschil tussen het private en het persoonlijke, en dat verschil bepaalt het onderscheid tussen schijnkunst en kunst.

            Connie Palmen, Het geluk van de eenzaamheid      

 

De dichter Hubert van Herreweghen hamstert onze taal. Geen enkele andere dichter in ons taalgebied (misschien met uitzondering van de zo welig woekerende dichter Herman Hendrik ter Balkt) bewaarde zo’n groot aantal zeldzame woorden in zijn woordenkluis als hij dit deed met ‘kaamsel’, ‘keest’, ‘kaantjes’, ‘karakol’, ‘kornoeljebloed’, ‘vlonder’, ‘malve’, ‘moederen’, ‘sloren’, ‘heemst’, ‘voorbroek’, ‘dul’, ‘zuchtig’, ‘zwank’ en andere  mooie ‘koleuren’. Deze woorden zijn uiteraard van iedereen en zijn terug te vinden in onze woordenboeken, maar alleen hij raapte ze weer op en liet ze klinken aan de schelp van ons oor.         

Zijn vriend en collega, de letterkundige Willy Spillebeen, was in zijn brief aan deze dichter allicht wat voorbarig toen hij over Een lamentatie van de melaatse koning1 uitbundig schreef en dacht : “Na zoveel meesterlijke gedichten is dit je meesterstuk, je ‘testament’ met gebruikmaking van het Testament.” Want vier jaar later verscheen plots nog de dichtbundel Webben & wargaren2 van deze Brabantse dichter (°Pamel, 1920) en deze nieuwe dichtbundel is zowel zijn beste dichtbundel uit zijn lang en vruchtbaar leven als de beste dichtbundel die het voorbije jaar (2009) in het hele Nederlandse taalgebied is verschenen. Zonder dan nog de acht gedichten te mogen vergeten die onlangs verschenen in Het Liegend Konijn3 en die bij nader inzien niet in zijn meest recente bundel zijn opgenomen.

In dit essay wil ik aantonen hoezeer deze poëzie is tegengesteld aan de postmoderne poëzie, het light verse, de taalarmoede, het betekenisloze, het gratuite, het rijmloze, het onoriginele en het aldus domweg vervelende van veel huidige war- en orakeltaal en andere vormen van schijnpoëzie. Ik wil deze stamelende, stokkende en soms schorre staccatostem die uit deze verzen opstijgt dan ook niet imiteren of parafraseren maar zal toch wel moeten citeren. De kunst van het citeren zal mij moeten helpen bij het benaderen (niet het ontrafelen) van het wonderlijke woordenweb van deze dichter die op hoge leeftijd met deze bijna nederige (de bundel werd uiterst sober uitgegeven en bevat niet één motto, opdracht of citaat van een andere dichter of een directe of indirecte verwijzing naar een andere auteur) naakte (de woorden werden naakt aaneengeregen) dichtbundel zijn hoogste bergpad heeft bereikt. Hij moest darvoor eerst lang en geduldig slijpen in zijn donkere haast mystieke smidse en het uiterst gebalde maar perfect rijmende en zeer klankrijke gedicht ‘Zang’ is als een microscopisch kleine poëtica die in zijn bedrieglijke eenvoud de hele poëticale wereld van deze dichter als in een schitterend sneeuwkristal bevat :

 

                        Al wat ik kreeg van kunde

                        van taal en tong,

                        bleef ik slijpen tot het zong,

                        al was ’t van slijpen dat ‘t verdunde.

 

Ook het andere, veel langere, poëticagedicht dat gewoon de titel ‘Poëzie’ kreeg getuigt opnieuw van de grootse eenvoud van deze dichter en ik citeer hiervoor enkel de twee laatste strofen :

 

                                    de verbazing om ’t gewone,

                                    wat daar staat, gereed, gezond,

                                    ’t allermeest gewone is ’t schone.

 

                                    Nederig mag het woord het noemen,

                                    ’t raakt het niet, het draait er rond.

 

En dit Gezelliaanse slot klinkt in deze postmoderne tijd allicht als van een wereldvreemde, maar laat de lezer (met het innerlijk oor) in een tactiele en sonore taalwereld bedremmeld achter. Wie nog in staat is om een dichter te aanhoren en even het complexe spel van metaforen, anapesten en anakoloeten te vergeten komt bij het lezen van deze dichter zeker tot rust in ‘Het huis ten halve’, de derde cyclus van deze bundel waarin elf gedichten staan die ik als de mooiste en meest mysterieuze (met tegelijk een zeldzame transparantie) gedichten van deze nu net niet altijd zo bezonken dichter, die vanaf zijn debuut eerder bij de wijze (traditionalistische)  klassieke dichters werd gerekend. Om dit laatste definitief te ontkrachten volstaat het om het gedicht ‘Dorst’ uit deze cyclus te lezen :

 

                        Voor de leeftocht laat op zwier,

                        de arme stroper leeft ervan,      

                         zet zijn fuik en vult zijn kruik,

                        ’t eenzaam hart zoekt er vertier,

                        ran ran rataplan,

                        voor de wraak of vriendschap dan:

                        wie luisteren en loeren kan,

                        ’s avonds aan water vindt hij ’t dier,

                        en wie het spoor volgt en het plan,

                        ’s avonds bij wijn vindt hij de man,

                        ra ra rataplan,

                        ra ra ran.

 

Want wie hier enkel de vier eerste regels zou lezen, zou maar al te makkelijk in slaap kunnen vallen of zich laten misleiden, maar daar is plots de (mentale) cesuur met dat ran ran rataplan dat als het ware elke zweem van kitsch uit het hele gedicht haalt en dit zeer ritmische gedicht uitzuivert en er een bezwerende raadselachtige toets aan geeft. Niemand, vermoedelijk ook de dichter zèlf niet, weet wat deze wat ludieke klanknabootsing letterlijk en figuurlijk zou kunnen betekenen. Is het zomaar gewoon een klankrijk tussenwerpsel of is het een echte stijlfiguur? Zou ik het vragen aan de   hoogleraar Dr. W. J.M. Bronzwaer? Nee, natuurlijk niet, ik weet niet eens of deze zeer geleerde professor nog leeft. En ik heb het dus opgezocht in één van de drie   belangrijke boeken van deze auteur die ik bezit. Ik verwijs hier dan ook graag naar zijn voor mij onmisbare ‘Nieuwe Nederlandse poëtica’ Lessen  in lyriek4 waar ik dit klein raadsel hopelijk kon ontraadselen. Uiteindelijk kwam ik terecht in het vierde hoofdstuk ‘Herhalingsfiguren’ bij de termen klankexpressiviteit, klankpoëzie, poésie pure, rijm, homoioteleuton, rijmdwang, groeirijm, slinkrijm en stichische verzen. En misschien bieden al deze termen wel de oplossing van dit linguïstisch probleem, maar ik bleef verweesd achter met de zin of de betekenis van de zo ritmische cadans van ran ran dat hier zowaar in drie verschillende vormen subtiel wordt herhaald en het korte gedicht afrondt als een glanzende kei of een taalbouwsel dat zeker geen verwarrend taalbrouwsel is geworden. Ik denk of vermoed dat het raadsel een raadsel moet blijven voor wie luisteren en loeren kan.

De alerte lezer van dit gedicht en van de poëzie van Hubert van Herreweghen zal trouwens dadelijk denken aan dat terecht zeer bekende en strakke gedicht ‘Brak’ uit de gelijknamige bundel (1977) dat eindigt op : “Het is een geur die ik moet vinden, / het is een spoor, geen onderdak.” en dat helaas niet in de lijvige bloemlezing Hotel New Flandres (Gent : Poëziecentrum, 2008) is te lezen, waarin trouwens slechts vijf gedichten van H.v.H. te vinden zijn.  

De zoon van Bosch

Het voorlaatste gedicht uit die cyclus ‘Het huis ten halve’ is een ode aan het vasten en dit na een reeks gedichten waarvan alleen al een groot aantal korte titels als ‘De oude kroeg’, ‘De waardin’, met uitzondering van het titelgedicht ‘Het huis ten halve’, gevolgd door ‘Een kastelein’, het hoger geciteerde ‘Dorst’, ‘Proeven’ en ‘Verlichte wijn’ duidelijk maken dat het hier gaat over een soort van geestelijke drinkliederen met dan als apotheose en sluitstuk die onverwachte ode aan het ‘Vasten’ dat aanvangt met de plastische en krachtig klinkende eerste zin in de eerste strofe : “De tanden open voor de bete, / honger is ons gemene lot / sinds mensheid gaat op zoek naar eten.” En opnieuw krachtig rijmend eindigt na een opsomming van de geneugten van tafel en beker met het tweeregelige eindvers : “Laat me dan dorst en honger eren / met de eremieten in hun hok.”  En in het gedicht ‘De verloren zoon’ komt zelfs het verrassende betekenisvolle beeld voor van de zoon van Bosch (niet van Breughel, die hier te lande allicht te veel naar folklore en gepopulariseerde boerentaferelen zou verwijzen,  maar van de schilder Bosch!). Die hele cyclus rondt de oude wijze dichter af met een streng levensgedicht ‘De lange nacht’ dat dan ook aanvangt met imperatieve vermaningen voor het leven : “Vast in de dag, prevel en zing / zijn lof bij nacht, de lange nacht, / verzaak de smaak en tinteling / van weelde en wat met armoe lacht.”  en bevat opnieuw een krachtig en prachtig beeld van een kernachtige poëtica waarin deze dichter de werkplaats van een dichter en een mysticus met een duistere smidse of een smis vergelijkt en oproept.

Wie dus dacht dat deze dichter al uitgezongen was, of verdord en uitgedoofd  zomaar wat bij de Leuvense stoof zou zitten rusten en mediteren vergist zich schromelijk. De roemruchte Franse schrijver Michel Houellebecq schreef in een essay5 niet zonder enige onderkoelde ironie : “Un poète mort n’écrit plus. D’où l’importance de rester vivant. » en ook nog met de nodige ernst : « La première démarche poétique consiste à remonter à l’origine. À savoir : à la souffrance. »

Toch wil en mag ik mij niet beperken tot die ene cyclus. Zo is er in de eerste cyclus ‘Webben’ een gedicht als ‘Eenmanstheater’ dat er als het ware helemaal uitspringt door de sublieme subtiele humor en de bijna boeddhistische  levenswijsheid die alleen uit de pen van een al wat oudere dichter kon komen :

 

Beklaag niet de stokoude man,

die op de stoep, zo snel hij kan,

                                          de zolen schuifelt een voor een, 

      om tussen voet en voet te wachten

     tot hij weer klaar is met een been.

      Hij huppelt in gedachten.  

 

De mysterieuze cyclus onder de titel ‘Mandorla’ heeft een aureool van een haast hemelse mystiek die zeer rauw en nauw verbonden is aan de door deze dichter bewoonde aarde. Niet voor niets had één van zijn vroegere bundels de titel Aardewerk6 en in het gedicht ‘Dauw’ zendt deze dichter zelfs berichten naar de engelen. In het uiterst samengebalde gedicht ‘Dwang’ voelt de lezer goed de plichtsdrang van het morele moeten dat hier hard botst tegen het existentiële van de ongeschoeide voeten of het ook door Willy Spillebeen reeds verwoorde dualisme7 van “zondigheid – verlossingsdrang , natuur – bovennatuur, hel – hemel, onleefbaar leven – paradijselijke toestand” dat als het ware de hele de thematiek van deze dichter omspant. Daarvoor  had de dichter Van Herreweghen herhaaldelijk en voortdurend zijn toverwoorden nodig en kijkt hij terug naar de tijd toen de meid de geitenmoeder molk. Daarvoor moest hij de taal ontvetten, of zoals in het gedicht ‘Verlangen naar de winter’ (dat hier in een schrille tegenstelling staat tot het gedicht ‘Verweer tegen den winter’ van Richard Minne ) moest hij het mes zetten in al wat te wollig was en te wak want in zijn strijd met de tijd en op zijn lange landweg op zoek naar de betovering vond hij altijd al te veel gebladerte, en niet genoeg getak, te weinig magerte te welig aangevet. En hoewel hij een vorm vond die velen vonden (het rijmende klankgedicht) kerft en etst deze barse dichter met zijn hortende en stotende taal in zijn veelal akelig akkerland dat zich bevindt “tussen twee heuvelen van Brabant in” (deze laatste woorden zijn van zijn voormalige vriend en collega Jos de Haes). Alwaar zijn taal heen en weer slingert tussen de steilheid van een dichteres als Ida Gerhardt met haar soms stroeve en gestrenge oudtestamentische toon en de speelse rijmklanken van een andere (postkatholieke) latere Guido Gezelle.

 

Oneigentijds

Om al deze redenen en bij wijze van besluit zou ik zijn hele latere poëzie, ik  onderken een breuklijn (naar de vorm, niet naar de inhoud), tussen 1967 en 1977 of tussen Gedichten IV en de bundel Brak die dus tien jaar later verscheen, willen samenvatten en duiden in acht (acht is kracht) wezenskenmerken die ik als volgt zou willen definiëren en omschrijven :

1.      Zijn poëzie is eerder oneigentijds (Nietzsche niest hier boven mijn wit blad papier). Zijn poëzie bewijst of laat horen dat hij zeker geen wereldvreemde dromer is en al zeker geen rurale dichter die louter en alleen pastoralen heeft gemaakt. 

2.      Zijn poëzie is zeer existentieel . Het gaat hier om een dichter die alles groet wat ademhaalt, zie hiervoor het gedicht ‘Spiegeltent’ dat getuigt van een   ware zelfspot en pure zelfironie.

3.      Zijn poëzie is echt talig als taalhout voor het aanmaken van vuur. Deze dichter heeft al lang zijn eigen gloeiende stem. 

4.      Zijn poëzie staat autonoom als een autonoom kunstwerk en heeft geen intertextuele connotaties en andere al dan niet latente verwijzingen nodig om zijn thematiek te verwoorden.

5.       Zijn poëzie klinkt bedrieglijk eenvoudig en helder als het veranderende water van de duistere Herakleitos van Efeze.   

6.      Zijn poëzie lijkt mij eerder moeilijk vertaalbaar en dus uiterst moeilijk verraadbaar. Wat nogmaals bewijst dat zijn persoonlijke dichterstaal hem wel zeer eigen is.  

7.      Zijn poëzie is niet cerebraal en ook niet alles overwoekerend orgiastisch,  maar extatisch. De lezer voelt samen met en dankzij de woorden van deze dichter de extatische vreugde aan. Zie hiervoor o.m. het ‘Naschrift’ van zijn meest recente bundel met de tweeledige ‘Barvoetse vreugde’.

8.       Zijn poëzie zingt en zindert zonder enige rijmdwang als de sintels van een nog niet gedoofd (heilig) vuur.

 Wie de smidse van deze taaltovenaar heeft betreden, krijgt nog niet dadelijk het eeuwige leven maar misschien wel de genade van het naakte, niet altijd zo balsemende en zalvende woord.        

                                                                                                            Hendrik Carette     

Voetnoten

1.      Op het achterflap van deze bundel met vijfenveertig kwatrijnen en met mooie pentekeningen van zijn dochter Anne van Herreweghen, Leuven : Uitgeverij P, 2005.

2.      Met één pentekening (de kop van haar vader) van Anne van Herreweghen, Leuven : Uitgeverij P, 2009. 

3.      Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, Leuven/ Amsterdam, april 2009, nr. 1, pag. 74-81.   

4.      Nijmegen : Sun, 1993, hoofdstuk 4, pag. 106-133.  

5.      in Rester vivant et autres textes, Michel Houellebecq, Parijs : Éditions Flammarion,  1997.

6.      Ondertitel ‘Gedichten VI’, Tielt : Lannoo, 1984, in de reeks ‘De golfbreker’.

7.      In zijn conclusie op p. 75 in Hubert van Herreweghen, Brugge : Orion, 1973, in de reeks ‘Ontmoetingen’ (literaire monografieën).                      

 

Bibliografie 

Uit den hoge, uit de grond, Bart van der Straeten, in het weekblad Knack, dd. 11 november 2009, p. 74 (Boek van de week). 

In de waterwingebieden, Gedichten 1953-1999, Herman Hendrik ter Balkt, Amsterdam : De Bezige Bij, 2000.

Bloemlezing uit de poëzie van Hubert van Herreweghen, samengesteld en ingeleid door Dirk de Geest, Gent : Poëziecentrum, 1999, in de reeks ‘Dichters van nu’.

Pajottenland, Maurits van Liedekerke, Leuven : Davidsfonds, 1999.  

Leven en kunst, door Yves T’Sjoen, in Ons Erfdeel, 1996, nr. 1, pp. 104-106,  over de dichtbundel Karakol (Tielt : Lannoo, 1995).  

Wandelen met Van Herreweghen, Stefaan Evenepoel in De Standaard der Letteren, dd. 16 januari 1993, over de dichtbundel Korf en trog (Tielt : Lannoo, 1992).

Hubert van Herreweghen : een Brabants handschrift met bijbelse glossen, Hendrik Carette in het cahier Vlaanderen Morgen, 1993, nr. 6, pp. 46-53.    

Verzamelde gedichten, van Jos de Haes, met een voorwoord van Ad Zuiderent die al op de eerste bladzij van zijn voorwoord ‘Jos de Haes, een Nederlands dichter?’   driemaal naar Hubert van Herreweghen verwijst, Antwerpen : Manteau, 1986.

 

Geuze en humanisme, door Hubert van Herreweghen, Brussel : Vlaamse Club, 1955. 

 

 

Het wonderlijke woordenweb van Hubert van Herreweghen

 

Alle kunst berust op het publiek maken van het persoonlijke, daarom is alle kunst een ontmoeting met

een kunstenaar. Er is verschil tussen het private en het persoonlijke, en dat verschil bepaalt het onderscheid tussen schijnkunst en kunst.

            Connie Palmen, Het geluk van de eenzaamheid      

 

De dichter Hubert van Herreweghen hamstert onze taal. Geen enkele andere dichter in ons taalgebied (misschien met uitzondering van de zo welig woekerende dichter Herman Hendrik ter Balkt) bewaarde zo’n groot aantal zeldzame woorden in zijn woordenkluis als hij dit deed met ‘kaamsel’, ‘keest’, ‘kaantjes’, ‘karakol’, ‘kornoeljebloed’, ‘vlonder’, ‘malve’, ‘moederen’, ‘sloren’, ‘heemst’, ‘voorbroek’, ‘dul’, ‘zuchtig’, ‘zwank’ en andere  mooie ‘koleuren’. Deze woorden zijn uiteraard van iedereen en zijn terug te vinden in onze woordenboeken, maar alleen hij raapte ze weer op en liet ze klinken aan de schelp van ons oor.         

Zijn vriend en collega, de letterkundige Willy Spillebeen, was in zijn brief aan deze dichter allicht wat voorbarig toen hij over Een lamentatie van de melaatse koning1 uitbundig schreef en dacht : “Na zoveel meesterlijke gedichten is dit je meesterstuk, je ‘testament’ met gebruikmaking van het Testament.” Want vier jaar later verscheen plots nog de dichtbundel Webben & wargaren2 van deze Brabantse dichter (°Pamel, 1920) en deze nieuwe dichtbundel is zowel zijn beste dichtbundel uit zijn lang en vruchtbaar leven als de beste dichtbundel die het voorbije jaar (2009) in het hele Nederlandse taalgebied is verschenen. Zonder dan nog de acht gedichten te mogen vergeten die onlangs verschenen in Het Liegend Konijn3 en die bij nader inzien niet in zijn meest recente bundel zijn opgenomen.

In dit essay wil ik aantonen hoezeer deze poëzie is tegengesteld aan de postmoderne poëzie, het light verse, de taalarmoede, het betekenisloze, het gratuite, het rijmloze, het onoriginele en het aldus domweg vervelende van veel huidige war- en orakeltaal en andere vormen van schijnpoëzie. Ik wil deze stamelende, stokkende en soms schorre staccatostem die uit deze verzen opstijgt dan ook niet imiteren of parafraseren maar zal toch wel moeten citeren. De kunst van het citeren zal mij moeten helpen bij het benaderen (niet het ontrafelen) van het wonderlijke woordenweb van deze dichter die op hoge leeftijd met deze bijna nederige (de bundel werd uiterst sober uitgegeven en bevat niet één motto, opdracht of citaat van een andere dichter of een directe of indirecte verwijzing naar een andere auteur) naakte (de woorden werden naakt aaneengeregen) dichtbundel zijn hoogste bergpad heeft bereikt. Hij moest darvoor eerst lang en geduldig slijpen in zijn donkere haast mystieke smidse en het uiterst gebalde maar perfect rijmende en zeer klankrijke gedicht ‘Zang’ is als een microscopisch kleine poëtica die in zijn bedrieglijke eenvoud de hele poëticale wereld van deze dichter als in een schitterend sneeuwkristal bevat :

 

                        Al wat ik kreeg van kunde

                        van taal en tong,

                        bleef ik slijpen tot het zong,

                        al was ’t van slijpen dat ‘t verdunde.

 

Ook het andere, veel langere, poëticagedicht dat gewoon de titel ‘Poëzie’ kreeg getuigt opnieuw van de grootse eenvoud van deze dichter en ik citeer hiervoor enkel de twee laatste strofen :

 

                                    de verbazing om ’t gewone,

                                    wat daar staat, gereed, gezond,

                                    ’t allermeest gewone is ’t schone.

 

                                    Nederig mag het woord het noemen,

                                    ’t raakt het niet, het draait er rond.

 

En dit Gezelliaanse slot klinkt in deze postmoderne tijd allicht als van een wereldvreemde, maar laat de lezer (met het innerlijk oor) in een tactiele en sonore taalwereld bedremmeld achter. Wie nog in staat is om een dichter te aanhoren en even het complexe spel van metaforen, anapesten en anakoloeten te vergeten komt bij het lezen van deze dichter zeker tot rust in ‘Het huis ten halve’, de derde cyclus van deze bundel waarin elf gedichten staan die ik als de mooiste en meest mysterieuze (met tegelijk een zeldzame transparantie) gedichten van deze nu net niet altijd zo bezonken dichter, die vanaf zijn debuut eerder bij de wijze (traditionalistische)  klassieke dichters werd gerekend. Om dit laatste definitief te ontkrachten volstaat het om het gedicht ‘Dorst’ uit deze cyclus te lezen :

 

                        Voor de leeftocht laat op zwier,

                        de arme stroper leeft ervan,      

                         zet zijn fuik en vult zijn kruik,

                        ’t eenzaam hart zoekt er vertier,

                        ran ran rataplan,

                        voor de wraak of vriendschap dan:

                        wie luisteren en loeren kan,

                        ’s avonds aan water vindt hij ’t dier,

                        en wie het spoor volgt en het plan,

                        ’s avonds bij wijn vindt hij de man,

                        ra ra rataplan,

                        ra ra ran.

 

Want wie hier enkel de vier eerste regels zou lezen, zou maar al te makkelijk in slaap kunnen vallen of zich laten misleiden, maar daar is plots de (mentale) cesuur met dat ran ran rataplan dat als het ware elke zweem van kitsch uit het hele gedicht haalt en dit zeer ritmische gedicht uitzuivert en er een bezwerende raadselachtige toets aan geeft. Niemand, vermoedelijk ook de dichter zèlf niet, weet wat deze wat ludieke klanknabootsing letterlijk en figuurlijk zou kunnen betekenen. Is het zomaar gewoon een klankrijk tussenwerpsel of is het een echte stijlfiguur? Zou ik het vragen aan de   hoogleraar Dr. W. J.M. Bronzwaer? Nee, natuurlijk niet, ik weet niet eens of deze zeer geleerde professor nog leeft. En ik heb het dus opgezocht in één van de drie   belangrijke boeken van deze auteur die ik bezit. Ik verwijs hier dan ook graag naar zijn voor mij onmisbare ‘Nieuwe Nederlandse poëtica’ Lessen  in lyriek4 waar ik dit klein raadsel hopelijk kon ontraadselen. Uiteindelijk kwam ik terecht in het vierde hoofdstuk ‘Herhalingsfiguren’ bij de termen klankexpressiviteit, klankpoëzie, poésie pure, rijm, homoioteleuton, rijmdwang, groeirijm, slinkrijm en stichische verzen. En misschien bieden al deze termen wel de oplossing van dit linguïstisch probleem, maar ik bleef verweesd achter met de zin of de betekenis van de zo ritmische cadans van ran ran dat hier zowaar in drie verschillende vormen subtiel wordt herhaald en het korte gedicht afrondt als een glanzende kei of een taalbouwsel dat zeker geen verwarrend taalbrouwsel is geworden. Ik denk of vermoed dat het raadsel een raadsel moet blijven voor wie luisteren en loeren kan.

De alerte lezer van dit gedicht en van de poëzie van Hubert van Herreweghen zal trouwens dadelijk denken aan dat terecht zeer bekende en strakke gedicht ‘Brak’ uit de gelijknamige bundel (1977) dat eindigt op : “Het is een geur die ik moet vinden, / het is een spoor, geen onderdak.” en dat helaas niet in de lijvige bloemlezing Hotel New Flandres (Gent : Poëziecentrum, 2008) is te lezen, waarin trouwens slechts vijf gedichten van H.v.H. te vinden zijn.  

De zoon van Bosch

Het voorlaatste gedicht uit die cyclus ‘Het huis ten halve’ is een ode aan het vasten en dit na een reeks gedichten waarvan alleen al een groot aantal korte titels als ‘De oude kroeg’, ‘De waardin’, met uitzondering van het titelgedicht ‘Het huis ten halve’, gevolgd door ‘Een kastelein’, het hoger geciteerde ‘Dorst’, ‘Proeven’ en ‘Verlichte wijn’ duidelijk maken dat het hier gaat over een soort van geestelijke drinkliederen met dan als apotheose en sluitstuk die onverwachte ode aan het ‘Vasten’ dat aanvangt met de plastische en krachtig klinkende eerste zin in de eerste strofe : “De tanden open voor de bete, / honger is ons gemene lot / sinds mensheid gaat op zoek naar eten.” En opnieuw krachtig rijmend eindigt na een opsomming van de geneugten van tafel en beker met het tweeregelige eindvers : “Laat me dan dorst en honger eren / met de eremieten in hun hok.”  En in het gedicht ‘De verloren zoon’ komt zelfs het verrassende betekenisvolle beeld voor van de zoon van Bosch (niet van Breughel, die hier te lande allicht te veel naar folklore en gepopulariseerde boerentaferelen zou verwijzen,  maar van de schilder Bosch!). Die hele cyclus rondt de oude wijze dichter af met een streng levensgedicht ‘De lange nacht’ dat dan ook aanvangt met imperatieve vermaningen voor het leven : “Vast in de dag, prevel en zing / zijn lof bij nacht, de lange nacht, / verzaak de smaak en tinteling / van weelde en wat met armoe lacht.”  en bevat opnieuw een krachtig en prachtig beeld van een kernachtige poëtica waarin deze dichter de werkplaats van een dichter en een mysticus met een duistere smidse of een smis vergelijkt en oproept.

Wie dus dacht dat deze dichter al uitgezongen was, of verdord en uitgedoofd  zomaar wat bij de Leuvense stoof zou zitten rusten en mediteren vergist zich schromelijk. De roemruchte Franse schrijver Michel Houellebecq schreef in een essay5 niet zonder enige onderkoelde ironie : “Un poète mort n’écrit plus. D’où l’importance de rester vivant. » en ook nog met de nodige ernst : « La première démarche poétique consiste à remonter à l’origine. À savoir : à la souffrance. »

Toch wil en mag ik mij niet beperken tot die ene cyclus. Zo is er in de eerste cyclus ‘Webben’ een gedicht als ‘Eenmanstheater’ dat er als het ware helemaal uitspringt door de sublieme subtiele humor en de bijna boeddhistische  levenswijsheid die alleen uit de pen van een al wat oudere dichter kon komen :

 

Beklaag niet de stokoude man,

die op de stoep, zo snel hij kan,

                                          de zolen schuifelt een voor een, 

      om tussen voet en voet te wachten

     tot hij weer klaar is met een been.

      Hij huppelt in gedachten.  

 

De mysterieuze cyclus onder de titel ‘Mandorla’ heeft een aureool van een haast hemelse mystiek die zeer rauw en nauw verbonden is aan de door deze dichter bewoonde aarde. Niet voor niets had één van zijn vroegere bundels de titel Aardewerk6 en in het gedicht ‘Dauw’ zendt deze dichter zelfs berichten naar de engelen. In het uiterst samengebalde gedicht ‘Dwang’ voelt de lezer goed de plichtsdrang van het morele moeten dat hier hard botst tegen het existentiële van de ongeschoeide voeten of het ook door Willy Spillebeen reeds verwoorde dualisme7 van “zondigheid – verlossingsdrang , natuur – bovennatuur, hel – hemel, onleefbaar leven – paradijselijke toestand” dat als het ware de hele de thematiek van deze dichter omspant. Daarvoor  had de dichter Van Herreweghen herhaaldelijk en voortdurend zijn toverwoorden nodig en kijkt hij terug naar de tijd toen de meid de geitenmoeder molk. Daarvoor moest hij de taal ontvetten, of zoals in het gedicht ‘Verlangen naar de winter’ (dat hier in een schrille tegenstelling staat tot het gedicht ‘Verweer tegen den winter’ van Richard Minne ) moest hij het mes zetten in al wat te wollig was en te wak want in zijn strijd met de tijd en op zijn lange landweg op zoek naar de betovering vond hij altijd al te veel gebladerte, en niet genoeg getak, te weinig magerte te welig aangevet. En hoewel hij een vorm vond die velen vonden (het rijmende klankgedicht) kerft en etst deze barse dichter met zijn hortende en stotende taal in zijn veelal akelig akkerland dat zich bevindt “tussen twee heuvelen van Brabant in” (deze laatste woorden zijn van zijn voormalige vriend en collega Jos de Haes). Alwaar zijn taal heen en weer slingert tussen de steilheid van een dichteres als Ida Gerhardt met haar soms stroeve en gestrenge oudtestamentische toon en de speelse rijmklanken van een andere (postkatholieke) latere Guido Gezelle.

 

Oneigentijds

Om al deze redenen en bij wijze van besluit zou ik zijn hele latere poëzie, ik  onderken een breuklijn (naar de vorm, niet naar de inhoud), tussen 1967 en 1977 of tussen Gedichten IV en de bundel Brak die dus tien jaar later verscheen, willen samenvatten en duiden in acht (acht is kracht) wezenskenmerken die ik als volgt zou willen definiëren en omschrijven :

1.      Zijn poëzie is eerder oneigentijds (Nietzsche niest hier boven mijn wit blad papier). Zijn poëzie bewijst of laat horen dat hij zeker geen wereldvreemde dromer is en al zeker geen rurale dichter die louter en alleen pastoralen heeft gemaakt. 

2.      Zijn poëzie is zeer existentieel . Het gaat hier om een dichter die alles groet wat ademhaalt, zie hiervoor het gedicht ‘Spiegeltent’ dat getuigt van een   ware zelfspot en pure zelfironie.

3.      Zijn poëzie is echt talig als taalhout voor het aanmaken van vuur. Deze dichter heeft al lang zijn eigen gloeiende stem. 

4.      Zijn poëzie staat autonoom als een autonoom kunstwerk en heeft geen intertextuele connotaties en andere al dan niet latente verwijzingen nodig om zijn thematiek te verwoorden.

5.       Zijn poëzie klinkt bedrieglijk eenvoudig en helder als het veranderende water van de duistere Herakleitos van Efeze.   

6.      Zijn poëzie lijkt mij eerder moeilijk vertaalbaar en dus uiterst moeilijk verraadbaar. Wat nogmaals bewijst dat zijn persoonlijke dichterstaal hem wel zeer eigen is.  

7.      Zijn poëzie is niet cerebraal en ook niet alles overwoekerend orgiastisch,  maar extatisch. De lezer voelt samen met en dankzij de woorden van deze dichter de extatische vreugde aan. Zie hiervoor o.m. het ‘Naschrift’ van zijn meest recente bundel met de tweeledige ‘Barvoetse vreugde’.

8.       Zijn poëzie zingt en zindert zonder enige rijmdwang als de sintels van een nog niet gedoofd (heilig) vuur.

 Wie de smidse van deze taaltovenaar heeft betreden, krijgt nog niet dadelijk het eeuwige leven maar misschien wel de genade van het naakte, niet altijd zo balsemende en zalvende woord.        

                                                                                                            Hendrik Carette     

Voetnoten

1.      Op het achterflap van deze bundel met vijfenveertig kwatrijnen en met mooie pentekeningen van zijn dochter Anne van Herreweghen, Leuven : Uitgeverij P, 2005.

2.      Met één pentekening (de kop van haar vader) van Anne van Herreweghen, Leuven : Uitgeverij P, 2009.

3.      Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, Leuven/ Amsterdam, april 2009, nr. 1, pag. 74-81. 

4.      Nijmegen : Sun, 1993, hoofdstuk 4, pag. 106-133.

5.      in Rester vivant et autres textes, Michel Houellebecq, Parijs : Éditions Flammarion,  1997.

6.      Ondertitel ‘Gedichten VI’, Tielt : Lannoo, 1984, in de reeks ‘De golfbreker’.

7.      In zijn conclusie op p. 75 in Hubert van Herreweghen, Brugge : Orion, 1973, in de reeks ‘Ontmoetingen’ (literaire monografieën).                      

 

Bibliografie 

Uit den hoge, uit de grond, Bart van der Straeten, in het weekblad Knack, dd. 11 november 2009, p. 74 (Boek van de week). 

In de waterwingebieden, Gedichten 1953-1999, Herman Hendrik ter Balkt, Amsterdam : De Bezige Bij, 2000.

Bloemlezing uit de poëzie van Hubert van Herreweghen, samengesteld en ingeleid door Dirk de Geest, Gent : Poëziecentrum, 1999, in de reeks ‘Dichters van nu’.

Pajottenland, Maurits van Liedekerke, Leuven : Davidsfonds, 1999.  

Leven en kunst, door Yves T’Sjoen, in Ons Erfdeel, 1996, nr. 1, pp. 104-106,  over de dichtbundel Karakol (Tielt : Lannoo, 1995).  

Wandelen met Van Herreweghen, Stefaan Evenepoel in De Standaard der Letteren, dd. 16 januari 1993, over de dichtbundel Korf en trog (Tielt : Lannoo, 1992).

Hubert van Herreweghen : een Brabants handschrift met bijbelse glossen, Hendrik Carette in het cahier Vlaanderen Morgen, 1993, nr. 6, pp. 46-53.    

Verzamelde gedichten, van Jos de Haes, met een voorwoord van Ad Zuiderent die al op de eerste bladzij van zijn voorwoord ‘Jos de Haes, een Nederlands dichter?’   driemaal naar Hubert van Herreweghen verwijst, Antwerpen : Manteau, 1986.

Geuze en humanisme, door Hubert van Herreweghen, Brussel : Vlaamse Club, 1955.  

 

Voornaamste publicaties

Een keuze uit mijn voornaamste publicaties in boekvorm

en in diverse tijdschriften

tijdens het voorbije decennium

(2000-2010)

 

Il y a toujours, dans la littérature, ceci de louche : la considération d’un public. Donc une réserve toujours de la pensée, une arrière-pensée où gît tout le charlatanisme. Donc, tout produit littéraire est un produit impur.  

Paul Valéry, Tel quel (1910)

 

1.      Dichtbundel Pact met Pound , 40 gedichten, Brugge : Kruispunt, 58 pp. , december 2000.

2.      ‘Mijn excuses’, column in het maandblad Meervoud, nr. 56, april 2000.

3.      Essay ‘De meester van de hexameter’, over de dichter en essayist Paul Claes in de Poëziekrant, jaargang 25, nr. 1, p.58-60, januari 2001.

4.      ‘René Char (1907-1988) : een prachtige poëet en partizanenleider’, column in het maandblad Meervoud, 9de jaargang,nr. 66, p. 25-26, april 2001.

5.      Essay ‘Borges, leermeester in het labyrint’, in TeKos, jaargang 21, nr. 105, p. 35-39, juli 2002.

6.      ‘Het jaar van Marguerite Yourcenar’, column in het maandblad Meervoud, jaargang 10, nr. 82, p. 28-29, december 2002.

7.      Essay ‘Op de meersvlakte’, over Streuvels’ novelle ‘In ’t water’, in het achtste Jaarboek Stijn Streuvels , Tielt : Lannoo, p. 239-246, 2003.

8.       ‘Een zeeman aan hoger wal’, verhaal over een gefingeerde ontmoeting met de auteur Saint-Rémy, in het themanummer ‘Verzonnen levens’ van het tijdschrift Gierik & NVT, nr. 80, p. 35-39, herfst 2003.

9.      ‘Het rapaille der dichters’, gedicht in de Poëziekrant, jaargang 27, nr. 3, p. 79-80, mei 2003.

10.    ‘Veertien vragen aan de dichter Mark Braet’, interview in het ts. Kruispunt, nr. 192, p. 20-47, maart 2003.

11.    Essay ‘De oude bard en de zee’ over Hugo Claus, in het maandblad Ons Brussel, nr. 221, p. 28-29, november 2003.

12.    ‘De gesel der drankzucht’, essay in het themanummer ‘Laveloze letters’ van het tijdschrift Gierik & NVT, nr. 82, p. 6-10, lente 2004.

13.    Essay ‘De muzenzoon en het verboden gedicht van Christian Dotremont’ in het achtste Jaarboek Joris van Severen, Ieper : Studiecentrum Joris van Severen, p. 197-205, 2004.   

14.    ‘Over de vurige tong van Toon Roosens’, notities over Antoon Roosens (1929-2003) in het boek De rode tong van de leeuw,  Brussel : Meervoud, 2005.

15.    ‘Een oase in het Moerenland’, mini-essay over het gedicht ‘De Moeren’ van Fernand Florizoone in de brochure Fernand Florizoone 80ste Lente Beauvoorde (Veurne), 31ste Poëziefestival, 2005.   

16.    ‘Open brief aan Geert van Istendael’, column in het maandblad Meervoud, nr. 105, maart-april 2005.  Zijn antwoord verscheen in de rubriek Het Balkon van De Standaard van vrijdag 6 mei 2005.  

17.    ‘Un magnifique marchand de fumée : Paul Neuhuys’, essay over deze Franstalige Antwerpse dichter in Septentrion, Revue Trimestrielle, XXXV, nr. 2, p. 59-63, 2006.

18.    ‘De heerlijke humor en horror van dichter Frank Koenegracht’, column in het maandblad Meervoud, nr. 114, februari 2006.  

19.    Dichtbundel Gestolen lucht, dertig gedichten gevolgd door ‘De navolging van Charles Baudelaire’, Gent : PoëzieCentrum, 76 pp. 2006.

20.    Essay ‘Ramon tussen de Tiber en de Acheron’, over de dichtbundel Rebuten van de dichter Renaat Ramon in het tijdschrift Nieuwzuid, nr. 24, 6de jaargang, p. 38-46, 2006. 

21.    Drie gedichten ; ‘Een oude Leviathan’, ‘Een witte Groenlander’ en ‘Een hondenmaaltijd met meelballen‘ in ‘Het Liegend Konijn’, jaargang 5 nr. 1, januari 2007.

22.    ‘Christine D’haen en de Koetsier van de Dood’, column in het maandblad Meervoud, nr. 132, december 2007. 

23.    Zeven gedichten ; ‘Een mysterieus doek van Caspar David Friedrich’, ‘Een dik Duits boek’, ‘Een kus(t)weg van Boulogne naar Calais’, ‘Een dagdroom aan zee, hoog en droog, op de dijk van Castricum’, ‘Een apologie van George Steiner’, ‘Een boerenkeuken of Streuvels vrijt’ en ‘Een imaginair museum zonder een zweem van charlatanerie’ in Nieuwzuid, driemaandelijkse discursieve machine voor cultuurkritiek en amusement, nr. 29,  jaargang 8,  p. 18-24, 2008.

24.    ‘Bruxelles, une serre chaude’, notities over mijn jarenlange verblijf als balling in Schaarbeek (Brussel), in Septentrion, p. 48-55, 37e année, 3e trimestre, 2008.  

25.    ‘Een lijst van mijn nog niet gestrande en verzonken schepen en andere platboomde boten uit mijn rijk maritiem verleden’, gedicht in het Zeeuwse tijdschrift Ballustrada, jaargang 22, nr. 1 en 2, p. 52-53, 2008. Dit gedicht werd eerder gepubliceerd in het maandblad Meervoud nr. 134, februari 2008.   

26.    ‘Brief aan de dichteres Jo Gisekin’ in het boek Zo, denk ik wordt liefde weer nieuw , Leuven : Uitgeverij P, p.118-123, 2008. 

27.    Het gedicht ‘Een verloren paradijs’, bij het gelijknamige schilderij van Emil Nolde uit 1921, in het tijdschrift Kluger Hans, 1ste jaargang nr. 2, p. 5, zomer 2009.

28.    Het gedicht ‘Een bolsjewistische fanfare’ in het tijdschrift Kruispunt, nr. 198-199,  p.3, maart 2009. Dit gedicht werd ook gepubliceerd in het maandblad Meervoud, nr. 148, juni-juli 2009.

29.    Essay ‘De stem van een nog niet gedoofde Russische ster’ over de Russische dichter Osip Mandelstam in het tijdschrift TeKos, nr. 134, p. 4-7, mei 2009.   

30.    Vier gedichten; ‘Een reis door het leven van Isaak Babel’, ‘Een gouden herfstdag’, ‘Een slapeloze nacht op Sicilië’ en ‘Een compositie voor een orgel met vier klavieren’ in Het Liegend Konijn, jaargang 7 nr. 2, p. 45-49, oktober 2009.

31.    Essay ‘Het wonderlijke woordenweb van Hubert van Herreweghen’ (nog niet gepubliceerd, werd reeds geweigerd door de Poëziekrant en Ons Erfdeel), januari 2010. 

32.    Het gedicht ‘Een openlijk vermaan aan Eriek Verpale’ geplaatst op de website van Deus ex Machina (www.deusexmachina.be) op 20 april 2010.

33.    Het gedicht ‘Een klein eiland op een glaciaal meer’, ondertitel :  een klein kitschgedicht, gepubliceerd in de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, nr.  160, p. 2, 30 juni 2010.

34.    Het gedicht, ‘Een bende engelen ontsnapt uit de Engelenburcht’ in de Poëziekrant, jaargang 34 nr. 4, p. 44 en 45, juni-juli 2010.    

35.    Het gedicht ‘Een ode aan Richard Minne’ in het boek Om Gent gedicht, samengesteld door Guido Lauwaert, Tielt : Uitgeverij Lannoo, p. 83, 2010.     

                                                                                    Hendrik Carette

 

PANORAMA

Panorama van de Vlaamse republiek der letteren gezien

vanuit de korf van mijn laag zwevende luchtballon

 

 

Un homme qui n’aime pas les livres est une sorte de monstre. Un homme qui substitue les livres à la vie est, lui aussi, une sorte de monstre.

Gabriel Matzneff, Le Taureau de Phalaris

 

Roland Jooris ; de tuinman van Laarne, de aristocraat van de Leie, en hij schrijft met een zeer fijn potlood.

 

*

 

Patrick Lateur; almaar hard labeur in de antieke wereld van de grote klassieken of onze goede Ouden.

 

*

Luc Devoldere; jezuïtische jongeling met jansenistische trekjes. Goede orator, kan dan ook dienst doen als hogepriester van het Woord. Weet veel, maar niet alles over Marguerite Yourcenar.

 

*

Mark Insingel; één van de weinige bewoners van het Antwerpse vaderland die de bekrompenheid van dit vaderland ook wel eens achter zich laten.

 *

Paul Claes; onze Vlaamse Umberto Eco. Geen familie van Ernest Claes. Schrijft tegenwoordig geestige gelegenheidsgedichten voor het weekblad Knack die verder geen enkel literair belang hebben. Of hoe een linguïst toch ook weer laag kan vallen.

 *

 Frans Deschoemaeker; heeft de onderhuidse lach van de landjonker behouden, maar leidt al bij al een zeer burgerlijk bestaan in het oude Oudenaarde.

 *

 Gaston Durnez; wordt elk jaar een jaartje ouder, maar ondervindt van dit feit als fijne, eerder  ongevaarlijke, humorist en groot bewonderaar van Chesterton niet echt last.

 *

 Dirk van Bastelaere; Vlaams poëticaal genie zonder die zo geniepige valse bescheidenheid of in het Frans : ce n’est pas la modestie qui l’étrangle. Heeft met zijn beruchte bloemlezing Hotel New Flandres in elk geval wel een daad van rechtvaardigheid gesteld.

 *

 Robin Hannelore; peutert nog altijd voort in Grobbendonk (ligt in de stille Kempen).

 *

 Frans Depeuter; maakt opnieuw heibel in het stille Kempenland.  

 *

 Jean-Pierre Dumoulin; staat voor een serieus dilemma : nog drinken en niet meer schrijven of niet meer drinken en wel schrijven.

 *

 Hedwig Speliers; vindt gelukkig elke keer weer een gloednieuwe dada (na Johan Daisne, Gerard Reve en Stijn Streuvels is het nu Maurice de Guérin), maar is beslist geen dadaïst.

 

Wilma (eigenlijk Wilhelmina Johanna) Stockenström; hier verdwaald als mijn geliefde Zuid-Afrikaanse dichteres (alleen al die mooie voornaam) is een beetje bijziend maar ziet soms helderder dan Antjie Krog.

 

*

Herman Brusselmans; nooit een mooie jonge god geweest, wel altijd een rauwe humorist met hilarische onderbroekenhumor (dit niet geheel terzijde, zoude ik denken).

 *

Stefan Hertmans; heeft een directe telefoonlijn met de stad Miletet en het dorp Merelbeke, heeft een directe lijn met zijn schoonvader, de bebaarde almaar lachende professor H. Bousset. 

 

Jan van der Hoeven; virtuoos van de taal, schreef scherpe pikante epitafen maar is alsnog gezwicht voor zijn eigen grafgedicht.

 *

 Leopold M. van den Brande; een dode mythe, maar leeft nog voort als een zeldzame Mechelse koekoek.   

 *

 Kristien Hemmerechts; geen gewone nudiste, poseerde toch ooit naakt voor haar zelfs niet geschokte of zelfs niet opgehitste lezers en lezeressen.

 *

 Monika van Paemel; wel een Belgische barones, helaas geen Vlaamse gravin.

 *

 Hugo Brems; de Leuvense professor bij de Leuvense stoof met zijn twee knappe dochters. Heeft Patricia de Martelaere driemaal verraden. 

 *

 Charlotte Mutsaers; charmante originele dame die soms resideert in de witte badstad Oostende. Elke keer dat ik daar op de zeedijk kreeft eet, denk ik aan haar en haar heerlijke kreeftenboek Koetsier Herfst.

 *

Aleidis Dierick; de dichtende dame die tijdens de tweede wereldoorlog zo graag een verpleegster aan het Oostfront was geweest. 

 *

Roger M.J. de Neef; een notoir jazzkenner, maar een koele  zeer cerebrale dichter.

 *

 Alain Delmotte; de grote premiejager in die zo noest wroetende provincie aan de zoom van de zee. 

 *

 Raf Seys; werd onlangs gesignaleerd in Koekelare als le roi du village.

 *

 Patricia de Martelaere; vergeten minnares, vergeten schrijfster, vergeten martelares op het altaar van de Vlaamse mediocriteit.

 *

 Benno Barnard, zoon van een dichtende dominee en een zwaar gebelgde Nederlander of een Nederbelg die boos blijft omdat hij geen Engelsman of een echte oude Belg kan worden. Heeft gedichten van de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga in een fris en helder Nederlands vertaald.

 *

 Henri-Floris Jespers; minstens één eeuw te laat geboren, had moeten leven in de negentiende eeuw in Parijs. Ik zie hem zo al copieus dineren met Victor Hugo of  Honoré de Balzac, maar toch vooral ook met die zo giftig roddelende en geestige gebroeders Edmond en Jules de Goncourt.

 *

Geert van Istendael; aristocratisch gedreven Brusselaar, maar houdt paradoxaal genoeg van dikke Duitse worst en van de voormalige D.D.R. (niet te verwarren met de Dietse Democratische Republiek).

 *

 Leonard Nolens; zeer monomaan dichter, al bij zijn leven heilig verklaard, bewierookt, gebalsemd en puur vergeestelijkt. Tussen Henric van Veldeke en Leonard Nolens waren de eeuwen doordrongen van een mystieke Limburgse stilte.

 *

 Paul de Wispelaere, de kleine reus van Maldegem, verschuilt zich als literaire smokkelaar al vele jaren in die grensstreek waar smokkelaars thuis zijn. 

 *

Hubert van Herreweghen; wijze nestor die evolueerde van Gezelliaan naar een verlate postmodernist. Of de dichtende landsman van ’t Brabants land.

 *

 Renaat Ramon; heeft opnieuw het vierkant uitgevonden, de kubus, en het vierkant in het vierkant. En ook de edele en onedele metalen kennen geen geheimen meer voor deze zoeker die al veel gevonden heeft.  

 *

 Herman J. Claeys; let op die beginletter van zijn tweede voornaam die niemand kende, die bijna niemand kon verklaren. 

 

 *

 Luuk Gruwez; gezellige dichter die in het gezellige Hasselt rondwaart, waar iedereen tot ver buiten deze bronsgroene provincie deze lange slungelachtige dichter zo gezellig vindt.

 *

 Patrick Conrad; sliep ooit met de mooie filmdiva Charlotte Rampling, maar slaapt nu al jaren toch voornamelijk met zichzelf.

 

 *

Adriaan Peel; monnik of dichter? Botanist of boeddhist? Geen probleem, hij is al in het Nirwana.

 *

 Piet Thomas; de letterlievende priester bij wie ik niet zo graag zou willen biechten.

 *

Lucienne Stassaert; houdt van haar poezen en van haar Hadewijch. Niets menselijks is deze schrijvende poes vreemd. 

 *

Bart Vonck; een querulant met een paar vonken, maar te weinig spatten.

 *

 Ben Klein; de harde naakte waarheid is al hoorbaar in zijn naam.

 *

Koen Stassijns; zwaar geparfumeerde epigoon die de brute pech heeft dat Herman de Coninck al jaren dood is.

 *

 Willie Verhegghe; sympathieke man die eigenlijk een Flandrien of een hard rijdende wielrenner in de Hel van het Noorden had willen zijn, maar dan zonder doping.

 *

 Mark Meekers; veelvuldig literaire prijzenwinnaar, maar helaas niet echt een groot dichter, wat nogmaals bewijst hoe onbekwaam onze Vlaamse literaire jury’s zijn.

 *

 Tom Lanoye; verblijft nu en dan graag in het heerlijke subtropische Zuid-Afrika, niets ongewoons, gewoon een homofiel bij de bruinmense. (Grapje, flauw grapje)

 *

 Rob Goswin; verkocht ooit een paar druppels van zijn bloed in een doosje. Sindsdien kent hij de eeuwige liefde en kennen wij de verlossing.

 *

Claude van den Berge; diep onder het ijs vloeit zijn alles zuiverende woordrivier.

 *

Erik Spinoy; academicus die leeft van de tranen van Trakl en ook de kussen van Suzette en de  Umnachtung van Hölderlin zijn hem zeer vertrouwd.

 *

 Max Kazan; heeft Jack Kerouac overleefd, maar heeft hem helaas nooit ontmoet.

 *

Lut de Block; wandelde ooit samen met haar dochter op de Meir in Antwerpen en schreef daarover een mooi ontroerend gedicht.

 *

Charles Ducal; kent als geen ander het korset van het huwelijk en de hinderlijke dwangbuis van de rijmende poëtentaal.

 *

 Mark van Tongele; sympathieke dichter die heel snel woorddronken wordt. Heeft geneeskunde gestudeerd, maar kan ook zichzelf niet genezen.

 *

 Serge Largot; woont nu op de Nederlandse Antillen. Of een vergeten Bruggeling beland bij vergeten bosnegers.

 *

Bert Popelier; een literaire dwerg op veel te hoge plastische poten. 

 *

Ivo Michiels; een Antwerpse kosmopoliet die in het zuiden van Frankrijk woont, meer bepaald in de landsstreek die door Julius Caesar en zijn tijdgenoten als de provincie werd omschreven. 

 *

Joris Denoo; schrijft al te veel en al te snel en kreeg daardoor dan ook al heel vroeg een zeer witte (witgrijze) haardos.

 *

 Jozef Deleu; een omhooggevallen onderwijzer die een machtige cultuurpaus werd.

 *

 Gwy Mandelinck; gelooft en droomt waarlijk dat hij een groot dichter is, maar helaas  nee, o nee, ’t is helaas niet zo.   

 *

Frank de Crits; het Dichtertje woont en leeft in Ukkel als onze kleine Jan van Nijlen.

 *

Frans Denissen; deze gekastreerde engel kent goed Italiaans en schreef dan ook ‘een roman zonder fictie’ over de vrouwen van Mussolini.

 *

Pjeroo Roobjee; kleurrijk schilder van zeer geestige woorden en beestig geestige taferelen die getuigen van een tuberculeuze, bewust crapuleuze, hogere en dus zeer zwarte humor.

 *

Frank Albers; was even in het Amerikaanse Beatland, maar heeft helaas ook nooit Jack Kerouack ontmoet.

 *

Eriek Verpale; goede verteller en brievenschrijver die maar al te graag koketteert met zijn joodse origine (zijn grootmoeder zou een joodse uit Litouwen zijn), maar als hij een Jood is, dan ben ik een Fransman.  

 

Hendrik Carette,

Pinksterzondag 2010

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een (utopisch) vaderland om te beminnen

Een (utopisch) vaderland om te beminnen 

 

                                                            Waarlijk er was geen grens tusschen

de Ems en de Somme.

                                                                        H. van Byleveld, Nederland in Frankrijk

 

Gewoon de historisch verbonden zeventien provinciën samengehouden 

als welpen onder de vacht van de Leeuw*. Gewoon een drassig moederland

 

zonder vervelende en vermaledijde vaderen. Een zompige moerasdelta

met aan de golven ontwoekerde landouwen van het Blootland tot het Vriesland,        

 

van de grijze Moordzee tot de groene wijngaarden aan de oever van de Moezel,

van het noordelijk gedeelte der Grietenij tot ver voorbij ’t mystieke Kolenwoud, 

 

van de wonderlijke wadden met die luchtspiegelingen tot aan de alsemkleurige monding van de Somme, au nom de Dieu** et les anges dans les cieux.

 

 

* Leo Belgicus ; Nederlandse Leeuw  

** mijn vertaling van tot aan de Somme, godverdomme

  

 

 

Hendrik Carette

Tafelrede

Tafelrede voor priester Frans Terrie

 

 

Van de dichter Paul Snoek zijn de zes gedichten die de cyclus ‘Bijbelfragmenten’ vormen in de dichtbundel Gedrichten (1971) misschien de minst bekende. En nu de dichter Hugo Claus alom en allerwegen nog net niet heilig werd verklaard is het goed om deze dichter die, zoals bekend een leerling was geweest van Anton van Wilderode, even te herlezen. Uit zijn ‘Brief van Noë aan de Goden’ citeer ik enkel de vier laatste strofen :

                              De tanks voor drinkwater zijn boordevol

en zullen dagelijks met regenwater worden bijgevuld.

 

Ik hoop dat mijn opdracht, zoals door U gepland,

niet langer dan drie maand zal duren.

U laat me zeker tijdig weten

Wanneer U tot de grote explosie denkt over te gaan.

 

Ik schrijf dan een paar dagen voordien

in de bijbel,

dat God de hemelsluizen heeft geopend,

enzovoort.

 

Tot nader order blijf ik voor anker liggen

in de bijna dode zee.  

 

Dit gedicht bevat echter drie denkfouten : Ten eerste ging het ten tijde van Noah niet over een explosie, maar over een grote overstroming of zondvloed.

Ten tweede schreef Noah nooit in de bijbel, ook niet in een apocrief boekdeel van de bijbel (Noah had met zijn ark wel wat anders aan zijn hoofd) en ten derde vermengt of verwart Snoek de monotheïstische God in de derde strofe met de goden uit de titel van zijn gedricht. Toch was het al bij al een geestige poging om een geestrijk gedicht te schrijven. Vooral omdat onderaan het gedicht nog de cursieve zin volgt : Er zijn al negen van mijn twintig duiven gestorven.

Voor Frans Terrie, die zijn klassieken kent, zal het beeld van de duif duidelijk zijn. Toch blijven die bijbelfragmenten een curieuze verschuiving en ook een kleine mislukking. In het eerste ‘De profeet ontmaskerd’ is dit iets beter gelukt. Daar is het Jonas, die zoals u allen weet, een tijdje in de buik van een walvis verbleef.  

Frans Terrrie die een adept is van de bekeerling Augustinus, en ook wel de predikatie van de heilige Ambrosius moet kennen wil ik hier wijzen op een uitspraak uit de (geklasseerde) gedachten van Blaise Pascal : Le grand Pan est mort. [ Prophéties, 343 (695)].

Voor de katholieke priester Frans Terrie, die een intimus was van die andere priester-dichter Anton van Wilderode, moet deze uitspraak van Pascal als een mooi dogma in de oren klinken.

Hoewel ik niet weet in welk
gezegend jaar hij tot priester werd gewijd, weet ik wel dat Frans naar het woord van Renaat Ramon inderdaad al lang als kanunnik Terrie door het leven had moeten gaan. Hij is evenals de recentelijk overleden Kees Fens een groot poëzieliefhebber, maar hij moet ook nog de mis lezen en als een ware herder of pastor de witte en zwarte schapen (Je hoort het Frans, ik ben en blijf een beetje een manicheeër) van zijn drie parochies behoeden. En wetende dat zelfs Ludovicus van Haecke, die model stond voor le chanoine Docre in de roman Là-bas van die andere bekeerling Joris-Karl Huysmans, kanunnik mocht worden, zou dit voor de bisschop van Brugge (het bisdom Ieper bestaat al lang niet meer) toch geen probleem mogen zijn. En dit uiteraard met een mooie prebende. Een geus zou zeggen : De papen van Vlaanderen vergeten helaas hun mooie aloude tradities. Bovendien zou deze benoeming tot kanunnik niet enkel leiden naar een hoger prestige, maar ook naar een hogere prebende. En dit mooie woord ‘prebende’  doet mij denken aan dat gedicht ‘dans les steppes de la flandre occidentale’ van Renaat Ramon dat ik hier graag in extenso citeer, omdat het kort is, omdat het te weinig bekend is en omdat het hier zo passend en billijk is dat ik het hier toch even citeer :

en hier word ik geacht thuis te zijn :

in deze wakke vlakten

aan de zoom van zand en zee

waar late jonkers

hun illegale levens van legaten leiden,

waar dit ganse onherbergzame seizoen

en tot in lengte van dagen

zwerven en zullen zwerven   

de grijze gezellen van den zwigenden ede

die op prebenden teren

en nazaten van zwarte zoeaven,

zingend

en zuipend het zerpe, donkere bier.  

 

En ik, die zo graag als een baron, bij voorbeeld als  ‘le baron Henri de Beauvoorde’ door het leven was gegaan, ben bijna jaloers dat ik dit gedicht niet zelf heb gemaakt. Maar als psalmist en voormalige grootgrondbezitter mag en wil ik toch niet klagen. Bovendien lijkt dit voor mij een mooie maatstaf te zijn, bij het bewonderen van een mooi en krachtig en helder of zelfs duister gedicht denk bijna altijd : had ik dit maar gepreveld en geschreven. Want niet zozeer de verwondering, maar eerder de bewondering is voor een lezende jonge dichter zo primordiaal.

En dan te bedenken dat we hier in het hart van ons aloude aangeslibde atavistische Moerenland zijn. Dicht bij het mooie statige 16de eeuwse kasteel van Beauvoorde dat ooit het kasteel was van jonker Arthur Mergelynck die, exact honderd jaar geleden, op 14 juli 1908, bijna blind  is overleden. Deze mecenas en burgemeester van Wulveringem was zonder enige twijfel een uitzonderlijk man en nu kan het toch geen toeval meer zijn dat die andere Frans, Frans Deschoemaeker, in 1997 de Arthur Merghelynckprijs mocht ontvangen voor het manuscript van zijn dichtbundel Perspectief met engel, de dichtbundel die vijf jaar geleden bij het PoëzieCentrum verscheen. Ik had dan ook het titelgedicht ‘Perspectief met engel’ kunnen citeren, want ook ik geloof als postkatholiek in het bestaan van engelen, of het gedicht ‘Een obool te Beauvoorde’, maar dit gedicht gaat over een begrafenis en in het licht van deze feestelijke dag citeer ik liever het openingsgedicht ‘Perspectief van de pelgrim’ dat een ook lichte religieuze bijklank heeft en omdat dit gedicht bevestigt dat wij allen, hier aanwezig, een soort van verlopen pelgrims zijn :

 

De wind een ijspriem op de iris.

De landerijen glad en glaciaal,

met enkel in de delling

 

wat puin, wat gammele emblemen.

Staf, sandaal en bedelnap, vuur

dat in takkenbossen knispert als de wind

 

in de rietkraag rond Sint-Winoksbergen.

Ik moet mij in dit gaan verkloeken.

Zo gaan, zo vergaan, zo vér gaan

 

dat het warme merg vernerft, strak

als buntgras, als helder filigraan

in de voren van een koud gedicht.  

 

Zo ziet u hoe alles mooi verweven is in de genius loci van deze aardse vindplaats. En ook  Willy Spillebeen moet een binding hebben met Zuid-Vlaanderen, met die rietkraag rond Sint-Winoksbergen want Willy Spillebeen is de eminente vertaler van een aantal gedichten van de door mij zo bewonderde Frans-Vlaamse dichter Emmanuel Looten over wie Willy Spillebeen ooit schreef : “De eerste ontmoeting zowel met de mens als met de dichter Emmanuel Looten wekt een gevoel op dat ik het best met “verbijstering” kan omschrijven. Emmanuel Looten is een aartsgeweldenaar, een natuurkracht, een vulkaan in voortdurende eruptie…“

En van wie het gedicht ‘Bergues’ (Sint-Winoksbergen) zo krachtig het noorden oproept : Mon Nord est froid d’un froid de fer. En dat dan zo verrassend eindigt met de woorden : Ma Flandre est chaude comme un coeur.    

Dat koude noorden dat Claude van de Berge zo hard kon bekoren, nee niet bekoren hij is erdoor gefascineerd, of erger nog hij is erdoor verblind, omdat naar het woord van J. Bernlef visie een kwestie  van verblinding is. Bij de ritueel-repetitieve dichter Claude van de Berge is het echter het hoge noorden : het noorden van IJsland en Groenland en van het onbestaande of mythische Thule. Na elke tocht, samen met zijn asblonde Arlette, naar dat majestueuze noorden laat hij woordsporen na in zijn bezwerende als het ware in het ijs gekerfde taal met die glinsterende sneeuwkristallen.   

Dat noordelijk gevoel dat de zwaar besnorde Teutoon Friedrich Nietzsche wellicht te vroeg heeft verloren of nooit heeft gehad en dat andere Duitsers als bij voorbeeld Goethe zo deed verlangen naar het land waar de citroenen bloeien. Een land dat zowaar het tweede vaderland van Patrick Lateur is geworden. Patrick Lateur, de geestelijke zoon van Anton van Wilderode, en dichter van de dichtbundel De speelman van Assisi. En ik vermoed dat Frans Terrie de klassiek rijmende verzen van deze tafelgenoot met de weelderige grijze haardos wel kan waarderen. De poëzie van Patrick Lateur moet voor de oren van Frans Terrie als een Cantico delle Creature of een Loflied op de Schepping klinken. Die hele bundel moet voor Frans Terrie een poëtisch brevier zijn waarin hij dagelijks, tussen twee missen in, of na het angelus en de vespers een vers kan lezen. Toch raad ik Frans Terrie aan om de lectuur van twee andere boeken van Patrick Lateur te mijden : het eerste is Amor in Roma,  dat twee jaar geleden in het zondige Amsterdam verscheen (en dat hij zou moeten mijden omwille van zijn belofte van het celibaat). En dat andere boek is Alle schrijvers leiden naar Rome waarvan de titel een parafrase is van de genoegzaam bekende uitspraak : alle wegen leiden naar Rome. En u weet allen dat Patrick Lateur, zich hier schromelijk vergist. Ten eerste : onze engelen wonen niet in de Engelenburcht. Zij zijn hier aanwezig met hun stoffelijk omhulsel. Ten tweede woont daar in al zijn Lateraanse staten nu een Beierse paus en die heeft gelukkig nog nooit van Frans Terrie  gehoord, anders zou hij via zijn kerkprins in Mechelen allicht zijn benoeming tot kanunnik ongedaan maken en ten derde, zoals wij hier aan deze feesttafel allen weten, leiden alle ondoorgrondelijke wegen naar Brugge en Beauvoorde… Vooral de wegen die ook naar Rome leiden.

Laten we hopen dat Frans Terrie nog lang moge lezen en leven en dat hij ten minste één van de hier nu aanwezigen alsnog zou mogen bekeren. Want de bittere dichter Propertius schreef : Ons wacht de nacht, een zware droomloze slaap.

Maar voor Frans Terrie, de deemoedige Gezelliaan, gelden deze heidense hedonistische woorden uiteraard niet : voor hem wacht het rijk der hemelen. En mocht hij toch nog weifelen of ooit toch nog willen zondigen dan verwijs ik hier graag naar het eind van dat zo ontroerende gedicht ‘Gij badt op eenen berg’ met die smekende stamelende uitroep :  &ldqu
o;o Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!”               

Hendrik Carette

                                                                                                                        3-4 juli 2008

 

 

Citaat

There is no greater joy than to be taken for an imbecile by an idiot.

Oscar Wilde

Zwingedicht

Een zeemeermin aan de monding van het Zwin

(het grauwe zeegat op de grens

van West- en Zeeuws-Vlaanderen)

 

                                                                                                                                                                                                                         Foulez avec moi cet immense tombeau

                                                                        de l’estuaire du Zwyn.                         

Michel de Ghelderode, Visages et paysages de la Flandre maritime

 

De wolken zijn tot ver voorbij Groede,

Lapscheure en Moerkerke omlaag gejaagd. 

Slechts af en toe spat een vlaag boegwater

over de rubberboot die over de branding glijdt.   

 

Aangemeerd aan het rietachtige zeegras

op het drijfzand van het getijdenland

zie ik hoe de fuut en de fuutkoet

hier moeten broeden en foerageren.

 

Ik zoek naar wulken uit het verzonken Wulpen

en hoor een plons: in de zwarte blubber staat

een vrouw met een wetsuit aan, een vloedvrouw

of een zeemeermin met een kajak onder haar arm.

 

Verlaat zij dit reservaat? Komt zij uit een ballade?

Paddelt zij zo parmantig naar het zondige Londen?

Te laat; als een niet meer te redden drenkelinge,

drijft zij weg, gehuld in haar boot, als in een wade.

 

 

Hendrik Carette